IEF 23580
1 juni 2026
Uitspraak

Podcast over restitutie roofkunst niet onrechtmatig jegens Mondex en haar oprichter

 
IEF 23579
1 juni 2026
Uitspraak

Verbetervonnis in IE-verstekzaak: proceskosten alsnog begroot op grond van artikel 1019h Rv

 
IEF 23225
1 juni 2026
Artikel

Volg deLex op LinkedIn

 
IEF 23580

Podcast over restitutie roofkunst niet onrechtmatig jegens Mondex en haar oprichter

Rechtbank Amsterdam 13 mei 2026, IEF 23580; ECLI:NL:RBAMS:2026:4602 (Mondex en [eiser 2] tegen NRC), https://reclameboek.minab.nl/artikelen/podcast-over-restitutie-roofkunst-niet-onrechtmatig-jegens-mondex-en-haar-oprichter

Rb. Amsterdam 13 mei 2026, IEF 23580; ECLI:NL:RBAMS:2026:4602 (Mondex en [eiser 2] tegen NRC). De Rechtbank Amsterdam oordeelt dat NRC met de achtdelige podcastserie Hier hing een schilderij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens Mondex en haar oprichter [eiser 2]. De podcast reconstrueert de restitutie van het schilderij Bild mit Häusern aan de erfgenamen van de voormalige eigenaar. Mondex en [eiser 2] stelden dat NRC een onjuist, tendentieus en grievend narratief had gecreëerd, waarin zij zouden worden neergezet als partijen die profiteren van restitutie van roofkunst, onder meer door verwijzingen naar termen als “ambulance chaser”, “premiejager”, “holocaustindustrie” en “Shoah business”. De rechtbank stelt voorop dat het recht van NRC op vrijheid van meningsuiting en persvrijheid op grond van artikel 10 EVRM moet worden afgewogen tegen het belang van Mondex en [eiser 2] bij bescherming van hun eer en goede naam, waarbij artikel 6:162 BW het wettelijke aanknopingspunt vormt voor een eventuele beperking van die uitingsvrijheid. Daarbij weegt zwaar dat restitutie van roofkunst, het functioneren van het restitutiebeleid en de commerciële bijstand aan rechthebbenden of erfgenamen onderwerpen van publiek belang zijn. NRC kwam daarom ruime journalistieke en redactionele vrijheid toe om daarover kritisch, informerend en opiniërend te publiceren. Het beroep van [eiser 2] op artikel 8 EVRM slaagt niet, omdat de gewraakte uitlatingen zien op zijn professionele hoedanigheid bij Mondex en onvoldoende is onderbouwd dat zijn privéleven daardoor zodanig is geraakt dat artikel 8 EVRM bescherming biedt.

IEF 23579

Verbetervonnis in IE-verstekzaak: proceskosten alsnog begroot op grond van artikel 1019h Rv

Rechtbank Den Haag 8 apr 2026, IEF 23579; ECLI:NL:RBDHA:2026:12265 (Volkswagen tegen [gedaagde]), https://reclameboek.minab.nl/artikelen/verbetervonnis-in-ie-verstekzaak-proceskosten-alsnog-begroot-op-grond-van-artikel-1019h-rv

Rb. Den Haag 8 april 2026, IEF 23579; ECLI:NL:RBDHA:2026:12265 (Volkswagen tegen [gedaagde]. De Rechtbank Den Haag wijst het verzoek van Volkswagen tot verbetering van een eerder, op 11 februari 2026 gewezen verstekvonnis toe. Volkswagen had aangevoerd dat sprake was van een kennelijke fout in de zin van artikel 31 Rv, omdat de rechtbank in het oorspronkelijke vonnis had overwogen dat de gevorderde proceskosten niet waren gespecificeerd, terwijl die specificatie wel degelijk in de dagvaarding was opgenomen. De rechtbank volgt Volkswagen daarin. Nu gedaagde niet in het geding was verschenen, beslist de rechtbank op het verzoek zonder nader bericht aan gedaagde. Volgens de rechtbank is sprake van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent: in het oorspronkelijke vonnis werd voor de feiten van het geding verwezen naar de dagvaarding, en uit de aan dat vonnis gehechte dagvaarding blijkt dat Volkswagen haar proceskosten onder randnummer 6.1 had opgegeven en gespecificeerd.

IEF 23225

Volg deLex op LinkedIn

Volg onze LinkedIn-pagina’s om volledig op de hoogte te blijven van alles wat binnen ons vakgebied én bij onze activiteiten speelt.

Via de LinkedIn-pagina Uitgeverij deLex blijft u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van IE-, IT- en privacyrecht. Via deze pagina ontvangt u vakinhoudelijke updates over onder meer IE-, IT-, privacy- en mediarecht, inclusief nieuws rond publicaties, jurisprudentie en relevante ontwikkelingen voor de praktijk.

Via de LinkedIn-pagina IE-Forum volgt u actuele ontwikkelingen binnen het intellectuele-eigendomsrecht, waaronder rechtspraak, wetgeving, beleidsontwikkelingen en relevante signaleringen uit de IE-praktijk. Daarnaast vindt u hier bijdragen, nieuwsberichten en updates die van direct belang zijn voor professionals die het IE-recht op de voet volgen.

Op de LinkedIn-pagina deLex Media informeren wij u over nieuwe en actuele cursussen en congressen, recente en aankomende publicaties, en overige vakinhoudelijke activiteiten die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Daarnaast bieden wij een professioneel overzicht van onze evenementen en initiatieven, met tijdige aankondigingen zodat u relevante opleidings- en netwerkgelegenheden niet mist.

Bezoek onze pagina’s en kies voor ‘Volgen’ om onze berichten rechtstreeks in uw tijdlijn te ontvangen en onderdeel te worden van ons netwerk.

IEF 23578

Foto zonder toestemming en naamsvermelding gepubliceerd: schadevergoeding wegens auteursrechtinbreuk

Rechtbank Amsterdam 19 mei 2026, IEF 23578; ECLI:NL:RBAMS:2026:5170 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://reclameboek.minab.nl/artikelen/foto-zonder-toestemming-en-naamsvermelding-gepubliceerd-schadevergoeding-wegens-auteursrechtinbreuk

Rb. Amsterdam 19 mei 2026, IEF 23578; ECLI:NL:RBAMS:2026:5170 ([eiser] tegen [gedaagde]). De kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam oordeelt dat gedaagde inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten en persoonlijkheidsrechten van eiser, een professioneel fotograaf, door een door hem gemaakte foto van een 538-Koningsdagbezoekster zonder toestemming en zonder naamsvermelding op haar website te publiceren. Het verweer dat niet vaststaat dat de foto auteursrechtelijk beschermd is, wordt gepasseerd, onder meer omdat dit pas bij dupliek is aangevoerd en gedaagde in haar conclusie van antwoord nog zelf ervan uitging dat op de foto auteursrecht rustte. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat voldoende aannemelijk is dat de foto auteursrechtelijke bescherming geniet, omdat sprake is van een bewust gekozen hoek en focus die de foto een eigen, oorspronkelijk karakter geven. Ook het beroep van gedaagde op mogelijk rechtmatig gebruik via beeldbanken slaagt niet, omdat zij onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat zij daadwerkelijk toestemming had om de foto te gebruiken. Dat gedaagde de inbreuk niet bewust zou hebben gepleegd, doet daaraan niet af: de publicatie zonder toestemming van de maker en zonder diens naam te vermelden levert een schending op van diens exploitatierechten en persoonlijkheidsrechten.

IEF 23577

Artikel geschreven door Caroline Theunis, Artes Law

Arrondissementsrechtbank Antwerpen bevestigt: particulier kan een zaak in kort geding voor de ondernemingsrechtbank brengen

De aanleiding: ambtshalve bevoegdheidsvraag
Begin maart 2026 dagvaardde een particulier twee ondernemingen voor de ondernemingsrechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen met het oog op spoedeisende maatregelen. De bevoegdheid van de voorzitter van deze rechtbank om van de vordering in kort geding kennis te nemen, baseerden diens raadslieden op de gecombineerde artikelen 573 en 584 Ger. W., hieronder weergegeven:


Artikel 573 Ger. W. (bevoegdheid ondernemingsrechtbank):

‘De ondernemingsrechtbank neemt in eerste aanleg kennis van de geschillen tussen ondernemingen (…) die niet vallen onder de bijzondere bevoegdheid van andere rechtscolleges en die, wat betreft natuurlijke personen, betrekking hebben op een handeling die niet kennelijk vreemd is aan de onderneming. De vordering gericht tegen een onderneming kan onder de in het eerste lid, bepaalde voorwaarden eveneens voor de ondernemingsrechtbank worden gebracht, zelfs indien de eiser geen onderneming is. (…).

Artikel 584 Ger. W. (bevoegdheid in kort geding):

‘De (…) voorzitter van de ondernemingsrechtbank [kan] bij voorraad uitspraak doen in gevallen die [deze] spoedeisend [acht], in aangelegenheden die tot de (…) bevoegdheid van die [rechtbank] behoren.

De verweerders waren in dit geval ondernemingen en het geschil viel niet onder de bijzondere bevoegdheid van een ander rechtscollege. De voorzitter van de ondernemingsrechtbank was dus inderdaad bevoegd op basis van deze artikelen. Desondanks rees er twijfel bij de voorzitter omdat de eiser een particulier was. De zaak werd bijgevolg doorverwezen naar de arrondissementsrechtbank van Antwerpen om over de bevoegdheidsvraag te oordelen.

Minderheidsrechtsleer creëerde twijfel

De twijfel vond zijn oorsprong in een minderheidsstrekking die bestond in de rechtsleer, stellende dat het tweede lid van artikel 573 Ger.W. ‘(…) zelfs indien de eiser geen onderneming is.’ niet van toepassing was zou zijn in kort geding- procedures. 1 Volgens deze strekking zou de ‘verruiming’ van de bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank uit het tweede lid van artikel 573 Ger.W. een uitzonderlijk karakter hebben, waardoor ze restrictief moet worden begrepen en bijgevolg niet kan worden toegepast op procedures in kort geding.


Het vonnis van 21 april 2026 van de arrondissementsrechtbank Antwerpen

De arrondissementsrechtbank volgde de bovenvermelde kritiek uit de rechtsleer niet. Het artikel 573 Ger. W. kan niet, of althans niet sinds de Wet Natuurlijke Rechter 2 , worden gezien als een uitzondering op de algemene bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg, zodat een restrictieve toepassing gepast zou zijn.


Het woord ‘kan’ in het tweede lid van dat artikel houdt namelijk in dat een particulier de keuze heeft om een geschil tegen ondernemingen te brengen voor:
- hetzij de rechtbank van eerste aanleg (c.q. de vrederechter);
- hetzij de ondernemingsrechtbank.

Die visie wordt onderschreven door de parlementaire voorbereidingen bij de Wet Natuurlijke Rechter. Toen de wetgever daarmee de huidige regeling vormgaf, benadrukte hij uitdrukkelijk dat de via artikel 573 Ger. W. voorziene ‘mogelijkheid’ voor niet-ondernemers ‘om de voorkeur eraan te geven om hun vordering voor de [ondernemingsrechtbank] in te dienen’, werd behouden. 3 Bovendien kan het tweede lid van artikel 573 Ger. W. evenmin gezien worden als uitzondering op de regel van het eerste lid, welke uitzondering dan desgevallend restrictiever zou moeten worden geïnterpreteerd. De arrondissementsrechtbank ziet in het huidige wetskader geen reden waarom niet- ondernemingen hun vorderingen tegen ondernemingen wél voor de ondernemings- rechtbank zouden kunnen brengen, maar niet wanneer ze spoedeisende maatregelen beogen.


Conclusie
De beslissing van de arrondissementsrechtbank was duidelijk: de voorzitter van de ondernemingsrechtbank, zetelend in kort geding, is bevoegd om kennis te nemen van vorderingen ingesteld door niet-ondernemingen tegen ondernemingen. Deze uitspraak is van belang voor wie als of namens een particulier in kort geding wenst op te treden tegen een onderneming. De vrees voor een ambtshalve bevoegdheidsvraag bij een keuze voor de ondernemingsrechtbank, vanwege de hoedanigheid van de eiser, lijkt met deze rechtspraak van de baan te zijn.

 

IEF 23576

Kan de uitingsvrijheid prevaleren bij deepfakes?

Voor iedere rechtsgrond die bescherming biedt tegen deepfakes - zoals het portretrecht, de AVG, of een nieuw naburig recht - gelden uitzonderingen waardoor een deepfake toelaatbaar kan zijn. Meer algemeen is dat veelal journalistiek of artistiek gebruik op basis van de uitingsvrijheid, meer specifiek onder meer (politieke) satire en parodie.

Bij gebrek aan jurisprudentie is het vooralsnog onduidelijk hoe die belangenafweging uitvalt in geval van verschillende soorten deepfakes. Denk aan het recente virale deepfakefilmpje van het Nederlandse koningspaar op bezoek in het Witte Huis. 

Valt de belangenafweging hier anders uit dan bij bijvoorbeeld de bekende LuckyTV sketches van het koningspaar? 

IEF 23575

Geen reactie op nadere toelichting fataal: betalingsveroordeling voor muziekgebruik

Rechtbank Noord-Holland 6 mei 2026, IEF 23575; ECLI:NL:RBNHO:2026:4380 (([eiser 1] en [eiser 2] tegen MED Medemblik)), https://reclameboek.minab.nl/artikelen/geen-reactie-op-nadere-toelichting-fataal-betalingsveroordeling-voor-muziekgebruik

Rb. Noord-Holland 6 mei 2026, IEF 23575; ECLI:NL:RBNHO:2026:4380 ([eiser 1] en [eiser 2] tegen MED Medemblik). In deze zaak tussen twee collectieve rechtenorganisaties ([eiser 1] en [eiser 2]) en MED Medemblik staat de vraag centraal of de exploitant van een horecagelegenheid gehouden is tot betaling van openstaande vergoedingen voor muziekgebruik op grond van licentieovereenkomsten. De kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de vorderingen grotendeels toewijsbaar zijn en passeert het gevoerde verweer, nu dit na nadere onderbouwing onvoldoende is gehandhaafd. MED Medemblik exploiteert een horecagelegenheid waar muziek wordt afgespeeld. Met beide collectieve rechtenorganisaties zijn licentieafspraken gemaakt voor het gebruik van muziekwerken. Over het jaar 2025 blijven meerdere facturen onbetaald, waaronder een factuur van € 1.419,11 van [eiser 1] en twee facturen van in totaal € 2.235,29 van [eiser 2]. Daarnaast worden eerder verleende kortingen van 33,33% na uitblijven van betaling alsnog in rekening gebracht, waardoor de gevorderde hoofdsommen oplopen tot € 2.128,56 respectievelijk € 3.352,77. MED Medemblik betwist de vorderingen en voert aan dat de gehanteerde berekeningsgrondslag onjuist is. Volgens haar is de horecagelegenheid ten onrechte ingedeeld in een hogere oppervlaktecategorie (450 m²), terwijl de feitelijke oppervlakte circa 160 m² bedraagt, wat zou leiden tot lagere tarieven. Daarnaast stelt zij dat geen sprake is van ondertekende licentieovereenkomsten en dat betaling van eerdere facturen niet zonder meer kan worden aangemerkt als aanvaarding van contractuele verplichtingen.

IEF 23574

Geen merkinbreuk, wel onrechtmatige domeinregistraie: 123led-domeinen moeten worden overgedragen

Rechtbank Den Haag 6 mei 2026, IEF 23574; ECLI:NL:RBDHA:2026:11031 ((Digital Revolution c.s. tegen Ledstores c.s.) ), https://reclameboek.minab.nl/artikelen/geen-merkinbreuk-wel-onrechtmatige-domeinregistraie-123led-domeinen-moeten-worden-overgedragen

Rb. Den Haag 6 mei 2026, IEF 23574: ECLI:NL:RBDHA:2026:11031 (Digital Revolution c.s. tegen Ledstores c.s.). In deze zaak tussen Digital Revolution c.s. (afzonderlijk: Digital Revolution en 123Led) en Ledstores Europe B.V. c.s. staat de registratie van een reeks domeinnamen met de aanduiding “123led” centraal. Digital Revolution exploiteert sinds 2014 de webwinkel 123led.nl en is houder van het Uniemerk 123LED. Ledstores c.s., die hun activiteiten onder meer via led24-webshops ontplooien, hebben eind 2023 in één keer achttien domeinnamen geregistreerd met daarin de aanduiding “123led”, waaronder verschillende landextensies. Een deel van deze domeinnamen werd gebruikt voor doorverwijzing naar eigen webshops, terwijl andere domeinnamen te koop werden aangeboden. Digital Revolution stelt dat sprake is van domeinnaamkaping en misbruik van bevoegdheid. De rechtbank volgt dat standpunt en oordeelt dat het in de gegeven omstandigheden maatschappelijk onbetamelijk is om op deze schaal domeinnamen te registreren die overeenstemmen met de naam van een directe concurrent die al jarenlang actief is op de markt. Daarbij weegt mee dat geen plausibele verklaring is gegeven voor de registratie en dat de handelwijze van Ledstores c.s. Digital Revolution belemmert in haar online aanwezigheid. De rechtbank kwalificeert de registratie van de domeinnamen als onrechtmatig.

IEF 23572

Uitspraak ingezonden door C. Theunis, Artes.

Arrondissementsrechtbank Antwerpen: particulier kan ook in kort geding naar ondernemingsrechtbank

Belgische gerechten 21 apr 2026, IEF 23572; 26/20/E (([particulier] tegen [persuitgevers]) ), https://reclameboek.minab.nl/artikelen/arrondissementsrechtbank-antwerpen-particulier-kan-ook-in-kort-geding-naar-ondernemingsrechtbank

Arrondissementsrechtbank Antwerpen 21 april 2026, IEF 23572; IEF-BE 4227; 26/20/E ([particulier] tegen [persuitgevers]). In deze zaak tussen een particuliere eiser en twee persuitgevers als verwerende partijen stond de vraag centraal of de voorzitter van de ondernemingsrechtbank, zetelend in kort geding, bevoegd is om kennis te nemen van een vordering ingesteld door een niet-onderneming tegen ondernemingen. Aanleiding voor het geschil vormden online nieuwsartikelen waarin eiseres – volgens haar ten onrechte en op identificeerbare wijze – werd neergezet in verband met strafrechtelijke feiten. Zij stelde dat de berichtgeving feitelijke onjuistheden en misleidende citaten bevatte en dat zij daardoor aanzienlijke reputatieschade had geleden. In kort geding vorderde zij onder meer dat de publicaties binnen 24 uur offline zouden worden gehaald, althans zouden worden geanonimiseerd en gecorrigeerd, telkens op straffe van een dwangsom van € 5.000 per dag of per overtreding. De zaak werd aanhangig gemaakt bij de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen. De voorzitter stelde evenwel ambtshalve de vraag naar de materiële bevoegdheid. Hoewel vaststond dat de verwerende partijen ondernemingen zijn, is eiseres dat niet. In de rechtsleer bestaat een opvatting dat artikel 573, tweede lid Ger. W. – dat toelaat dat een niet-ondernemer een onderneming voor de ondernemingsrechtbank dagvaardt – niet geldt in kort geding. Volgens deze visie heeft die bepaling een uitzonderlijk karakter en moet zij restrictief worden uitgelegd, zodat zij enkel toepassing vindt in bodemprocedures en niet in spoedeisende procedures. Om die reden werd de zaak bij beschikking van 3 april 2026 verwezen naar de arrondissementsrechtbank Antwerpen, teneinde zich uit te spreken over deze bevoegdheidsvraag. De arrondissementsrechtbank verwerpt deze beperkende lezing en geeft een meer systematische interpretatie van artikel 573 Ger. W. Zij overweegt dat deze bepaling, mede in het licht van de Wet Natuurlijke Rechter, niet (langer) kan worden beschouwd als een uitzondering op de algemene bevoegdheidsregels.