Gepubliceerd op maandag 9 februari 2026
IEF 23274
Rechtbank Amsterdam ||
17 dec 2025
Rechtbank Amsterdam 17 dec 2025, IEF 23274; ECLI:NL:RBAMS:2025:10200 ([eiser] tegen MEDIAHUIS NRC B.V.), https://reclameboek.minab.nl/artikelen/belangenafweging-privacy-veroordeelde-en-persvrijheid-bij-online-zittingsverslag-nrc

Belangenafweging privacy veroordeelde en persvrijheid bij online zittingsverslag NRC

Rb Amsterdam 17 december 2025, IEF 23274; ECLI:NL:RBAMS:2025:10200 ([eiser] tegen MEDIAHUIS NRC B.V.). De zaak betreft een zorgverlener die in 2022 is veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf (waarvan een half jaar voorwaardelijk) wegens seksuele uitbuiting van twee 17‑jarige meisjes, over wie NRC een artikel in de rubriek “De Zitting” publiceerde met vermelding van zijn voornaam, leeftijd en beroep. Volgens eiser is de publicatie onrechtmatig op grond van artikel 6:162 BW, omdat NRC zonder noodzaak strafrechtelijke persoonsgegevens verwerkt in strijd met zijn recht op eer en goede naam (artikel 8 EVRM) en in strijd met de AVG en de UAVG, met name omdat de gegevens niet noodzakelijk zouden zijn voor het doel van de publicatie. Eiser vordert dat NRC het artikel aanpast door deze persoonsgegevens te verwijderen, op straffe van een dwangsom, plus 750 euro immateriële schadevergoeding, subsidiair een voorziening waardoor NRC zijn strafrechtelijke persoonsgegevens niet meer verwerkt. NRC beroept zich op vrijheid van meningsuiting en persvrijheid en stelt dat het artikel feitelijk verslag doet van een openbare strafzitting, met bewust weglaten van de achternaam en andere privé‑details.

De rechtbank moet een afweging maken tussen artikel 8 en 10 EVRM. Zij oordeelt dat het artikel steun vindt in de feiten, een onderwerp van algemeen belang behandelt en dat de beperkte vermelding van voornaam, leeftijd en beroep binnen de journalistieke vrijheid valt, mede omdat het beroep in de strafzaak relevant was en andere media al met meer identificerende details hebben gepubliceerd. De door eiser gestelde nadelige gevolgen, confrontaties in de privésfeer, problemen op de arbeidsmarkt, ontslag bij een nieuwe werkgever, worden erkend maar wegen volgens de rechtbank minder zwaar, mede omdat reputatieschade in beginsel een voorzienbaar gevolg is van het plegen van strafbare feiten. De rechtbank concludeert dat de vermelding van voornaam, leeftijd en beroep in dit concrete geval niet disproportioneel is, dat de uitings‑ en persvrijheid van NRC zwaarder weegt dan het privacy‑ en reputatiebelang van eiser, en dat de publicatie dus niet onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW. Voor wat betreft de AVG/UAVG oordeelt de rechtbank dat NRC weliswaar verwerkingsverantwoordelijke is voor strafrechtelijke persoonsgegevens, maar dat zij zich met succes kan beroepen op de journalistieke exceptie van artikel 43 lid 3 UAVG, omdat het artikel uitsluitend journalistieke doeleinden dient. De vorderingen van eiser worden daarom afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten van NRC van in totaal 2.094 euro, vermeerderd met wettelijke rente.

5.19. “Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank met NRC van oordeel dat het Artikel kan worden gezien als een journalistieke activiteit. NRC heeft er immers op gewezen dat zij met haar website het publiek beoogde te informeren over het soort criminaliteit dat niet vanzelfsprekend op de voorpagina komt, maar waarvoor maatschappelijke belangstelling bestaat, ook omdat de gevolgen voor de slachtoffers groot kunnen zijn. Het Artikel strookt met die doelstelling, aangezien het een feitelijke weergave bevat van het verloop van de strafzitting en het daarop gevolgde oordeel van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Er is dan ook sprake van verwerking van persoonsgegevens voor uitsluitend journalistieke doeleinden.”

5.20. “Volgens [eiser] is het niet noodzakelijk om zijn strafrechtelijke persoonsgegevens te verwerken en is daarom de uitzondering als bedoeld in artikel 43 lid 3 UAVG niet van toepassing, maar dit betoog gaat niet op. Op grond van vaste jurisprudentie vergt de eis van noodzakelijkheid een evenwichtige afweging van de hiervoor al beoordeelde fundamentele rechten van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [eiser] en het recht van vrijheid van meningsuiting van NRC.5 Die afweging valt hetzelfde uit als hiervoor in r.o. 5.3 tot en met 5.14 is besproken. Dat betekent dat de uitingsvrijheid van NRC zwaarder weegt en dat de inbreuk op [eiser] zijn recht op privacy als noodzakelijk wordt beoordeeld. De stelling van [eiser] dat NRC, hoewel zij in het Artikel slechts feiten heeft benoemd, slechts heeft beoogd om [eiser] in een kwaad daglicht te stellen en te houden, vindt geen steun in het Artikel of in de rest van het dossier en is daarmee onvoldoende onderbouwd.”

5.21. “Het voorgaande brengt met zich dat het beroep van NRC op de journalistieke exceptie uit artikel 43 UAVG slaagt. Het het beroep van [eiser] op artikel 10 AVG dat zijn strafrechtelijke persoonsgegevens niet mogen worden verwerkt, treft dan ook geen doel.”