Gepubliceerd op woensdag 8 april 2026
IEF 23449
Hof Arnhem-Leeuwarden ||
7 apr 2026
Hof Arnhem-Leeuwarden 7 apr 2026, IEF 23449; ECLI:NL:GHARL:2026:2078 (Sena tegen Ziggo), https://reclameboek.minab.nl/artikelen/een-enkele-billijke-vergoeding-bij-kabeldoorgifte-van-synchronisaties

Eén enkele billijke vergoeding bij kabeldoorgifte van synchronisaties

Hof Arnhem-Leeuwarden 7 april 2026, IEF 23449; ECLI:NL:GHARL:2026:2078 (Sena tegen Ziggo). In dit arrest staat de vraag centraal of Ziggo aan Sena op grond van de artikelen 2, 6 en 7 Wet op de naburige rechten (Wnr) een billijke vergoeding moet betalen voor de doorgifte via de kabel van buitenlandse televisieprogramma’s waarin muziek is verwerkt in audiovisuele opnamen (synchronisaties), zoals films, series, reclames en videoclips. Het hof oordeelt dat art. 7 Wnr richtlijnconform moet worden uitgelegd in het licht van art. 8 lid 2 VLN-richtlijn en het arrest Atresmedia. Volgens het hof hebben rechthebbenden voor hun prestatie in een synchronisatie recht op één enkele billijke vergoeding. Indien zij bij de verwerking van hun prestatie in die synchronisatie al een vergoeding hebben ontvangen, of daarover afspraken hebben gemaakt, is Ziggo voor de latere kabeldoorgifte van die synchronisatie geen aanvullende billijke vergoeding meer verschuldigd. Indien zij geen vergoeding hebben ontvangen en daarover ook geen afspraken hebben gemaakt, blijft voor die doorgifte wel een billijke vergoeding verschuldigd. In dat geval kan Sena, mede op grond van art. 14a Wnr jo. art. 26a Auteurswet, ook handhavend optreden. Het hof verklaart daarom voor recht dat Ziggo vanaf 1 april 2022 inbreuk maakt op de naburige rechten van de door Sena vertegenwoordigde rechthebbenden, voor zover Ziggo synchronisaties doorgeeft via buitenlandse televisieprogramma’s waarbij die rechthebbenden voor de verwerking van hun prestatie in die synchronisaties geen vergoeding hebben ontvangen; in de motivering verbindt het hof dit stelselmatig ook aan het ontbreken van afspraken over vergoeding.

Ten aanzien van de kaderovereenkomst uit 2008 oordeelt het hof dat Sena bij het sluiten daarvan geen mededelingsplicht heeft geschonden, zodat geen sprake is van dwaling in de zin van art. 6:228 lid 1, onder a of b, BW. Wel neemt het hof aan dat partijen zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over de reikwijdte van art. 7 Wnr, zodat sprake is van wederzijdse rechtsdwaling als bedoeld in art. 6:228 lid 1, onder c, BW. Met toepassing van art. 6:230 lid 2 BW wijzigt het hof de gevolgen van de overeenkomst aldus dat de aan Sena betaalde billijke vergoeding wordt verminderd met 50% van het deel van de betaalde vergoeding dat betrekking had op de doorgifte van synchronisaties via buitenlandse televisieprogramma’s in gevallen waarin rechthebbenden voor de verwerking van hun prestatie in die synchronisaties een vergoeding hebben ontvangen. In zoverre verklaart het hof ook voor recht dat 50% van dat deel onverschuldigd aan Sena is betaald. Andere vorderingen van Ziggo, waaronder vaststelling van een percentage van 96% en een verdere verklaring voor recht over onverschuldigde betaling, worden afgewezen; ook wijst het hof een dwangsom en een bevel tot nieuw overleg af. Het vonnis van de rechtbank wordt volledig vernietigd, de proceskosten worden gecompenseerd, Sena wordt veroordeeld tot terugbetaling van de door Ziggo op grond van het vernietigde vonnis betaalde proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente, en het arrest wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het Atresmedia-arrest

3.12.

In het Atresmedia-arrest overweegt het HvJ allereerst dat vaststaat dat de vragen geen betrekking hebben op de reproductie van fonogrammen op het ogenblik dat zij in audiovisuele opnamen (synchronisaties) worden verwerkt, maar dat de rechthebbenden daarmee hebben ingestemd en in ruil daarvoor een vergoeding hebben ontvangen. Bovendien is in die procedure ook niet aangevoerd dat de fonogrammen los van het audiovisueel werk waarin ze zijn opgenomen, worden gebruikt.18 Dan is de vraag of de rechthebbenden de enkele billijke vergoeding van artikel 8 lid 2 VLN-richtlijn moeten ontvangen als die synchronisaties vervolgens aan het publiek worden meegedeeld (bijvoorbeeld via een televisie-uitzending).19 Het hof overweegt dat in die omstandigheden moet worden nagegaan of een synchronisatie moet worden aangemerkt als een “fonogram” of een “reproductie daarvan” zoals verwoord in artikel 8 lid 2 VLN-richtlijn.20 Dat brengt het HvJ in die omstandigheden tot het oordeel dat een synchronisatie niet kan worden aangemerkt als een „fonogram” of „reproductie daarvan” in de zin van artikel 8, lid 2 VLN-richtlijn.21 Daarbij overweegt het HvJ expliciet dat dit oordeel niet in strijd is met de doelstellingen van de VLN-richtlijn om onder meer een passend inkomen te waarborgen voor uitvoerend kunstenaars en een juist evenwicht te bereiken tussen de belangen van de uitvoerend kunstenaars en die van derden om hun prestatie onder redelijke omstandigheden te kunnen uitzenden of meedelen aan het publiek. In de omstandigheden van die procedure moeten deze doelstellingen naar het oordeel van het HvJ worden bereikt door passende contractuele regelingen bij de opneming van de prestatie in een audiovisueel werk, “zodat de vergoeding voor de naburige rechten op de fonogrammen naar aanleiding van een dergelijke opneming geschiedt aan de hand van dergelijke contractuele regelingen.”22

3.13.

Het eindoordeel luidt vervolgens:

Artikel 8, lid 2, van richtlijn 92/100/EEG (…) en artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115/EG (…) moeten aldus worden uitgelegd dat de gebruiker de in deze bepalingen bedoelde enkele billijke vergoeding niet dient te betalen wanneer hij een audiovisuele opname die de vastlegging van een audiovisueel werk bevat waarin een fonogram of een reproductie daarvan is opgenomen, meedeelt aan het publiek.

Gevolg voor de uitleg van artikel 7 Wnr

3.14.

Zoals hiervoor overwogen, leidt een richtlijn conforme uitleg ertoe dat artikel 7 Wnr op gelijke wijze moet worden uitgelegd als de uitleg die het HvJ geeft aan artikel 8 lid 2 VLN-richtlijn. De uitleg van het HvJ in het Atresmedia-arrest brengt mee dat -voor zover de rechthebbenden hebben ingestemd met de verwerking van hun prestatie in een synchronisatie en daarvoor een vergoeding (hebben) ontvangen- Ziggo geen billijke vergoeding is verschuldigd voor de doorgifte van die synchronisaties via buitenlandse televisieprogramma’s.

3.15.

De voorwaarde die het HvJ verbindt aan deze uitleg betekent dat Ziggo die vergoeding alleen niet dient te betalen als de rechthebbenden al een vergoeding (hebben) ontvangen door afspraken die gemaakt zijn bij de vastlegging van de synchronisatie. Dit is ook af te leiden uit de tekst van artikel 8 lid 2 VLN-richtlijn waar staat "een enkele billijke vergoeding". Die tekst wordt letterlijk uitgelegd door het HvJ. Niet alleen in het hiervoor besproken Atresmedia-arrest, maar ook in het Blue Air Aviation-arrest, waarin het HvJ expliciet oordeelt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat één enkele billijke vergoeding wordt uitgekeerd aan de rechthebbenden.23 Dit brengt mee dat zowel de stelling van Sena -dat ook de rechthebbenden die al een vergoeding (hebben) ontvangen bij de verwerking van hun prestatie in een synchronisatie recht hebben op een vergoeding op grond van artikel 7 Wnr- als de stelling van Ziggo -dat ook als de rechthebbenden op dat moment geen vergoeding (hebben) ontvangen, geen recht hebben op een billijke vergoeding- niet opgaat.

3.16.

Het HvJ maakt in het Atresmedia-arrest duidelijk dat de vergoeding die de rechthebbenden moeten krijgen voor hun prestatie moet worden geregeld op het moment dat de rechthebbenden toestemming geven en afspraken maken over de samenvoeging van hun prestatie met beeld tot een audiovisueel werk. Hieruit volgt dat de rechthebbenden één keer een vergoeding moeten ontvangen. Dus als het ontvangen van een vergoeding niet is geregeld bij de verwerking van hun prestatie in een synchronisatie, dan zal de rechthebbende alsnog een billijke vergoeding moeten ontvangen bij de mededeling aan het publiek van die synchronisatie, bijvoorbeeld bij de openbaarmaking daarvan via televisiezenders. Deze uitleg sluit ook aan bij de doelstellingen van de VLN-richtlijn24 en de Wnr25 om een evenwicht te creëren tussen enerzijds de belangen van de rechthebbenden om een passende vergoeding te krijgen voor hun prestatie en anderzijds de belangen van de gebruikers om die prestatie te kunnen openbaren.