Gepubliceerd op donderdag 4 juni 2026
IEF 23598
HvJ EU ||
3 jun 2026
HvJ EU 3 jun 2026, IEF 23598; ECLI:EU:T:2026:364 ((Amber Latvijas balzams AS tegen EUIPO) ), https://reclameboek.minab.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-euipo-geen-kwade-trouw-bij-registratie-merk-black-voor-alcoholische-dranken

Gerecht bevestigt EUIPO: geen kwade trouw bij registratie merk BLACK voor alcoholische dranken

HvJ EU 3 juni 2026, IEF 23598; ECLI:EU:T:2026:364 (Amber Latvijas balzams AS tegen EUIPO). Het Gerecht van de Europese Unie heeft het beroep van Amber Latvijas balzams afgewezen tegen een beslissing van het EUIPO waarbij een verzoek tot nietigverklaring van het Uniemerk BLACK was afgewezen. Volgens Amber had merkhouder Foodcare het merk in 2019 te kwader trouw aangevraagd voor onder meer alcoholische dranken, omdat het bedrijf actief was in de markt voor energiedranken en geen reële intentie zou hebben gehad om het merk voor alcoholische producten te gebruiken. Het Gerecht volgt dat standpunt niet en oordeelt dat onvoldoende aanwijzingen bestaan om kwade trouw aan te nemen. Foodcare had kort vóór de merkaanvraag haar activiteiten op het gebied van productie en verkoop van alcoholische dranken uit het Poolse handelsregister laten verwijderen. Amber stelde dat deze timing aantoonde dat Foodcare geen voornemen had om het merk voor alcoholische dranken te gebruiken. Het Gerecht wijst er echter op dat de Poolse wetgeving ondernemingen ertoe noopte het aantal geregistreerde activiteiten te beperken en dat de Poolse overheid had aanbevolen alleen de actuele activiteiten in het register te laten staan. Foodcare had toegelicht dat zij daarom uitsluitend haar actuele activiteiten in het register liet opnemen. Dat alcoholgerelateerde activiteiten uit het register werden verwijderd, vormt volgens het Gerecht daarom geen bewijs van een gebrek aan gebruiksintentie of van kwade trouw. Ook acht het Gerecht van belang dat dergelijke activiteiten eerder wél in het register waren opgenomen, hetgeen juist kan wijzen op een bestaande interesse in uitbreiding naar die markt. Daarnaast voerde Amber aan dat de Poolse regelgeving inzake alcoholreclame het voor Foodcare feitelijk onmogelijk maakte om het merk BLACK zowel voor alcoholische als voor niet-alcoholische dranken te gebruiken. Volgens het Gerecht volgt daaruit echter niet dat Foodcare het merk niet te goeder trouw heeft aangevraagd. Een Uniemerk heeft werking in de gehele Europese Unie en Foodcare kan het merk ook buiten Polen gebruiken in lidstaten waar dergelijke beperkingen niet gelden.

Het bestaan van nationale reclamebeperkingen vormt daarom geen aanwijzing voor kwade trouw bij de indiening van de merkaanvraag. Het Gerecht verwerpt eveneens het beroep op het unitaire karakter van het Uniemerk. De door Amber aangevoerde Poolse beperkingen zijn geen absolute weigeringsgrond in de zin van het Uniemerkenrecht en kunnen daarom niet leiden tot nietigheid van het merk voor de gehele Unie. Evenmin volgt het Gerecht de stelling dat uitbreiding van een onderneming uit de markt voor energiedranken naar alcoholische dranken commercieel onlogisch zou zijn. Volgens het Gerecht is het aan ondernemingen zelf om hun activiteiten uit te breiden en is een dergelijke uitbreiding niet ongebruikelijk of onredelijk. Daarbij wijst het Gerecht erop dat er alcoholhoudende energiedranken bestaan die vergelijkbaar zijn met energiedranken zonder alcohol en dat energiedranken complementair kunnen zijn aan alcoholconsumptie. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie benadrukt het Gerecht dat kwade trouw niet kan worden vermoed. Degene die nietigverklaring vordert, moet met relevante en consistente aanwijzingen aantonen dat de merkhouder het merk heeft aangevraagd met een oneerlijk oogmerk of zonder enige bedoeling het merk daadwerkelijk te gebruiken. Dat Foodcare op het moment van de aanvraag nog geen activiteiten op het gebied van alcoholische dranken verrichtte, is daarvoor onvoldoende. Volgens het Gerecht heeft Amber geen feiten aangevoerd waaruit blijkt dat Foodcare het merk heeft aangevraagd met een oneerlijk oogmerk, zoals het louter hinderen van derden of het verkrijgen van een merkrecht voor doeleinden die buiten de functies van een merk vallen. Het beroep wordt daarom volledig verworpen en Amber wordt veroordeeld in de proceskosten.

28. De registratie van een handelsmerk door een aanvrager zonder de intentie om het te gebruiken in verband met de goederen en diensten waarop die registratie betrekking heeft, kan echter kwade trouw opleveren, wanneer er geen rechtvaardiging is voor de aanvraag tot registratie in het licht van de doelstellingen van onder meer Verordening 2017/1001 (zie in die zin het arrest van 29 januari 2020, Sky en anderen , C‑371/18, EU:C:2020:45, punt 77 en de daarin aangehaalde jurisprudentie).

29. In de vierde plaats kan de kwade trouw van de merkaanvrager niet worden aangenomen op basis van de loutere vaststelling dat de aanvrager op het moment van indiening van zijn aanvraag geen economische activiteit had die overeenkomt met de in die aanvraag genoemde goederen en diensten (zie arrest van 29 januari 2020, Sky en anderen , C‑371/18, EU:C:2020:45, punt 78).

30. Het is aan de aanvrager van een verklaring van nietigheid om de omstandigheden aan te tonen die een bevinding onderbouwen dat een EU-merkhouder te kwader trouw handelde bij het indienen van de aanvraag tot registratie van dat merk, waarbij goede trouw wordt verondersteld totdat het tegendeel is bewezen (zie arrest van 6 november 2024, ChiCom Marketing tegen EUIPO  – China Faw Group (Hongqi) , T‑533/23, niet gepubliceerd, EU:T:2024:786, punt 26 en de daarin aangehaalde jurisprudentie).

60. Wat dat betreft, zoals de Kamer van Beroep in de paragrafen 28, 29 en 36 van de bestreden beslissing heeft vastgesteld, moet worden geconcludeerd dat, zelfs indien de interveniënt het gebruik van het betwiste merk voor alcoholische dranken in Polen zou worden verboden, hij nog steeds gerechtigd zou zijn het buiten dat land te gebruiken in een lidstaat waarvan de wetgeving geen vergelijkbaar verbod bevat. Zoals de Kamer van Beroep in paragraaf 36 van die beslissing heeft gesteld, kan de interveniënt een marketingstrategie ontwikkelen die hem in staat stelt het betwiste merk voor alcoholische dranken in andere lidstaten dan Polen te gebruiken, hetzij direct, hetzij indirect via een licentienemer, met inachtneming van de wetgeving inzake de reclame en promotie van alcoholische dranken waaraan alle bedrijven zijn onderworpen.

61. De aanvrager kan derhalve niet beweren dat het gebruik van het betwiste merk voor de aanduiding van alcoholische dranken buiten Polen, hoewel niet onrechtmatig, een poging zou vormen om de Poolse wetgeving te omzeilen.

62. Er moet derhalve worden geconcludeerd dat de Raad van Beroep geen beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat de beperkingen die de Poolse wetgeving oplegt met betrekking tot de reclame en promotie van alcoholische dranken geen bewijs kunnen vormen van kwade trouw van de interveniënt bij het indienen van de aanvraag tot registratie van het betwiste merk voor onder meer alcoholische dranken.

71. In dat opzicht heeft de Raad van Beroep geen fout gemaakt door te oordelen dat het beginsel van het eenheidskarakter van het EU-handelsmerk in dit geval niet van toepassing is.

72. De door de Poolse wetgeving vastgelegde verboden met betrekking tot de promotie en reclame van alcoholische dranken werden door de aanvrager aangevoerd als mogelijk bewijs van kwade trouw van de tussenkomende partij. Zoals echter in de paragrafen 60 tot en met 62 hierboven is uiteengezet, heeft de Raad van Beroep terecht geoordeeld dat deze verboden geen bewijs van kwade trouw van de tussenkomende partij vormen. Bijgevolg kunnen deze verboden geen absolute weigeringsgrond vormen voor registratie op grond van kwade trouw van de tussenkomende partij bij het indienen van de aanvraag tot registratie van het betwiste merk, noch enige andere grond die uitdrukkelijk in de EU-wetgeving is voorzien voor weigering van registratie van een teken als EU-handelsmerk.

73. Hieruit volgt dat de Raad van Beroep terecht heeft geoordeeld dat de aanvrager zich heeft vergist door zich te beroepen op een schending van het beginsel van het eenheidskarakter van het EU-handelsmerk.