Gepubliceerd op dinsdag 12 mei 2026
IEF 23546
HvJ EU ||
12 mei 2026
HvJ EU 12 mei 2026, IEF 23546; ECLI:EU:C:2026:395 ((Meta Platforms Ireland Ltd tegen Autorità per le Garanzie nelle Comunicazioni) ), https://reclameboek.minab.nl/artikelen/hvj-eu-geeft-duidelijkheid-over-vergoeding-voor-nieuwscontent-op-platforms

HvJ EU geeft duidelijkheid over vergoeding voor nieuwscontent op platforms

HvJ EU 12 mei 2026, IEF23546; ECLI:EU:C:2026:395 (Meta Platforms Ireland Ltd tegen Autorità per le Garanzie nelle Comunicazioni). In deze zaak draait het om de uitleg van artikel 15 DSM-richtlijn. De zaak speelt tussen Meta Platforms Ireland en de Italiaanse communicatieautoriteit AGCOM. Centraal staat een Italiaanse regeling die persuitgevers exclusieve rechten geeft op online gebruik van hun perspublicaties door online platforms. De regeling bepaalt daarnaast dat uitgevers aanspraak kunnen maken op een billijke vergoeding en legt verschillende verplichtingen op aan platforms. Meta maakte bezwaar tegen een besluit van AGCOM waarin criteria waren vastgesteld voor de berekening van die vergoeding. Volgens Meta geeft artikel 15 DSM-richtlijn persuitgevers uitsluitend exclusieve rechten, zoals reproductie en beschikbaarstelling, en geen zelfstandig vergoedingsrecht. Ook zou de Italiaanse regeling te ver ingrijpen in de contractsvrijheid en ondernemingsvrijheid van platforms, onder meer doordat zij verplicht worden te onderhandelen, gegevens te delen en de zichtbaarheid van perscontent tijdens onderhandelingen niet te beperken. Meta beriep zich daarnaast op strijd met verschillende bepalingen van Unierecht, waaronder artikel 109 en 119 VWEU en de e-commercerichtlijn. Het Hof heeft die onderdelen echter niet inhoudelijk beoordeeld, maar de betreffende prejudiciële vragen niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet relevant waren voor de beslechting van het hoofdgeding. Het Hof stelt voorop dat artikel 15 DSM-richtlijn persuitgevers exclusieve rechten verleent om online gebruik van hun perspublicaties toe te staan of te verbieden. De inhoud van die rechten volgt uit Richtlijn 2001/29. Lidstaten mogen deze exclusieve rechten niet vervangen door een louter vergoedingsrecht. Tegelijkertijd sluit artikel 15 DSM-richtlijn niet uit dat toestemming voor gebruik wordt gekoppeld aan betaling van een vergoeding, zolang het exclusieve karakter van het recht behouden blijft. Dat betekent dat persuitgevers toestemming moeten kunnen weigeren en hun rechten ook kosteloos moeten kunnen licentiëren, bijvoorbeeld via royaltyvrije licenties. Platforms mogen bovendien niet verplicht worden een vergoeding te betalen wanneer zij de publicaties niet gebruiken of niet willen gebruiken. Volgens het Hof mogen lidstaten regels vaststellen die het gebruik van deze rechten structureren, mits die regels de exclusieve rechten niet uithollen en aansluiten bij de doelstellingen van de DSM-richtlijn, waaronder een hoog beschermingsniveau en een sterkere onderhandelingspositie voor persuitgevers.

Tegen die achtergrond acht het Hof de Italiaanse verplichtingen om te onderhandelen, relevante gegevens te delen en de zichtbaarheid van content tijdens onderhandelingen niet te beperken in beginsel verenigbaar met artikel 15 DSM-richtlijn. Dat geldt wel alleen wanneer een platform de perspublicaties gebruikt of wil gebruiken en de uitgever bereid is daarover te onderhandelen. Volgens het Hof dragen deze verplichtingen bij aan een evenwichtiger onderhandelingspositie, omdat platforms beschikken over gegevens die noodzakelijk zijn om de economische waarde van het gebruik te bepalen, zoals advertentie-inkomsten. De zichtbaarheidsplicht voorkomt daarnaast dat platforms druk uitoefenen door content tijdens onderhandelingen minder zichtbaar te maken.Ook de rol van AGCOM gaat volgens het Hof niet te ver. Een nationale autoriteit mag criteria vaststellen voor de berekening van een billijke vergoeding en, wanneer partijen geen overeenstemming bereiken, ook het concrete bedrag bepalen. Partijen moeten daarbij wel vrij blijven om uiteindelijk geen overeenkomst te sluiten. Daarnaast mag een autoriteit toezicht houden op de naleving van informatieverplichtingen en evenredige boetes opleggen wanneer die verplichtingen niet worden nageleefd. Volgens het Hof doen deze bevoegdheden geen afbreuk aan het exclusieve karakter van het persuitgeversrecht. Ten aanzien van de vrijheid van ondernemerschap erkent het Hof dat de informatieplicht, zichtbaarheidsplicht en bevoegdheden van AGCOM beperkingen vormen voor online platforms. Die beperkingen zijn volgens het Hof echter gerechtvaardigd. Zij zijn wettelijk vastgelegd, raken niet aan de kern van de vrijheid van ondernemerschap en dienen legitieme doelen, waaronder de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten van persuitgevers en het waarborgen van mediavrijheid en pluriformiteit. Het Hof acht de maatregelen bovendien evenredig, mede omdat de informatieplicht beperkt blijft tot gegevens die noodzakelijk zijn voor de berekening van de vergoeding, uitgevers vertrouwelijk met die gegevens moeten omgaan en de maximale boete beperkt blijft tot 1% van de omzet. Het Hof concludeert dat artikel 15 DSM-richtlijn en de artikelen 16 en 52 van het Handvest zich niet verzetten tegen een regeling zoals de Italiaanse. Lidstaten mogen dus een vergoeding koppelen aan toestemming voor online gebruik van perspublicaties en platforms verplichten te onderhandelen en relevante informatie te verstrekken. Wel moet een dergelijke regeling het exclusieve karakter van het persuitgeversrecht respecteren. Uitgevers moeten toestemming kunnen weigeren of kosteloos kunnen verlenen, terwijl geen vergoeding kan worden opgelegd zonder daadwerkelijk of voorgenomen gebruik van perspublicaties. Daarnaast moeten de opgelegde verplichtingen en sancties evenredig blijven.

104     Aangezien deze procedure voor de partijen in de hoofdprocedure een stap is in de procedure die aanhangig is bij de nationale rechter, is de beslissing over de kosten een zaak van die rechter. Kosten die zijn gemaakt voor het indienen van opmerkingen bij het Hof, anders dan de kosten van die partijen, zijn niet verhaalbaar. Om deze redenen verklaart het Hof (Grote Kamer): Artikel 15 van Richtlijn (EU) 2019/790 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende auteursrecht en aanverwante rechten in de digitale interne markt en tot wijziging van Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG en de artikelen 16 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet als volgt worden geïnterpreteerd: zij sluiten een nationale regelgeving niet uit die:

–         bepaalt dat uitgevers van perspublicaties recht hebben op een redelijke vergoeding in ruil voor de toestemming om hun publicaties te gebruiken die wordt verleend aan aanbieders van diensten aan de informatiemaatschappij;

–         legt dergelijke aanbieders, die dergelijke publicaties gebruiken of willen gebruiken, de verplichting op om met die uitgevers in onderhandeling te treden, de zichtbaarheid van de inhoud van laatstgenoemden in zoekresultaten tijdens de onderhandelingen niet te beperken en aan die uitgevers en aan een overheidsinstantie de informatie ter beschikking te stellen die nodig is om de hoogte van de redelijke vergoeding te bepalen;

–         machtigt die autoriteit om de referentiecriteria vast te stellen die gebruikt moeten worden om een ​​dergelijke vergoeding te bepalen en, indien de partijen geen overeenstemming bereiken, het bedrag daarvan vast te stellen, alsook om toezicht te houden op de naleving van de informatieplicht die op dergelijke aanbieders rust en om hen administratieve financiële sancties op te leggen in geval van niet-naleving van die verplichting.

mits dergelijke wetgeving uitgevers van perspublicaties niet de mogelijkheid ontneemt om een ​​dergelijke toestemming te weigeren of deze kosteloos te verlenen, dat zij aanbieders van diensten aan de informatiemaatschappij geen betalingsverplichting oplegt die geen verband houdt met het gebruik van dergelijke publicaties en dat de verplichtingen en eventuele sancties die aan dergelijke aanbieders worden opgelegd, het proportionaliteitsbeginsel respecteren.