Gepubliceerd op dinsdag 17 februari 2026
IEF 23287
HvJ EU ||
18 dec 2025
HvJ EU 18 dec 2025, IEF 23287; ECLI:EU:C:2025:985 (OSA, z.s. tegen Úřad pro ochranu hospodářské soutěže), https://reclameboek.minab.nl/artikelen/hvj-eu-over-art-102-vweu-onbillijke-licentievoorwaarden-van-collectieve-beheersorganisatie-bij-hotelvergoedingen

HvJ EU over art. 102 VWEU: Onbillijke licentievoorwaarden van collectieve beheersorganisatie bij hotelvergoedingen

HvJ EU 18 december 2025, IEF 23287; IEFbe 4109; ECLI:EU:C:2025:985 (OSA, z.s. tegen Úřad pro ochranu hospodářské soutěže). De zaak betreft de Tsjechische collectieve beheersorganisatie OSA, die auteursrechten exploiteert voor onder meer hotels en andere accommodaties met televisies op de kamers. De Tsjechische mededingingsautoriteit Úřad pro ochranu hospodářské soutěže (ÚOHS) stelde in 2019 vast dat OSA haar machtspositie misbruikte op de markt voor het verlenen van licenties aan dergelijke accommodatieverstrekkers. OSA hanteerde in haar standaardlicenties een minimumvergoeding die geen rekening hield met de werkelijke bezettingsgraad of het daadwerkelijke gebruik en was bovendien onvoldoende transparant over de berekeningswijze en aanpassingsmogelijkheden. Dit werd gekwalificeerd als het opleggen van onbillijke contractuele voorwaarden in de zin van artikel 102, onder a), VWEU. OSA kreeg een boete van 10 676 000 CZK en een gedragsverbod opgelegd. In beroep voerde OSA aan dat haar tarieven niet buitensporig waren en dat misbruik alleen via de toets voor excessieve prijzen (zoals ontwikkeld in onder meer United Brands, AKKA/LAA en SABAM) kon worden vastgesteld. De ÚOHS stelde daartegenover dat het zwaartepunt lag bij de onbillijkheid van de contractvoorwaarden, waardoor geen volledige excess-pricing-analyse vereist was.

De nationale rechter legde prejudiciële vragen voor aan het Hof over de uitleg van artikel 102, onder a), VWEU. In wezen werd gevraagd of een tariefstructuur die geen rekening houdt met de feitelijke of verwachte bezettingsgraad kan worden aangemerkt als het opleggen van onbillijke voorwaarden. Het Hof van Justitie oordeelde dat artikel 102 VWEU niet uitsluit dat een dergelijke tariefmethode misbruik kan opleveren. Doorslaggevend is of, gelet op alle relevante omstandigheden, de gehanteerde methode geen redelijke verhouding vertoont tot de economische waarde van de verleende licentie. Wanneer vergoedingen structureel worden berekend over niet-gebruikte capaciteit, kan dit onder omstandigheden onbillijk zijn, zonder dat noodzakelijkerwijs een volledige toets voor buitensporige prijzen hoeft te worden verricht. Het Hof concludeert aldus dat een vaste tariefstructuur zonder differentiatie naar gebruik niet op zichzelf verboden is, maar wel misbruik kan vormen indien zij, in haar context, leidt tot onbillijke contractvoorwaarden in de zin van artikel 102, onder a), VWEU.

-       40. “Derhalve moet op de eerste twee vragen worden geantwoord dat artikel 102, tweede alinea, onder a), VWEU aldus moet worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een collectieve beheersorganisatie bij de berekening van de vergoedingen die verschuldigd zijn als tegenprestatie voor de verlening aan hotels van een licentie om auteursrechtelijk beschermde werken beschikbaar te stellen, geen rekening houdt met de bezettingsgraad van die hotels, naargelang van de relevante omstandigheden kan bijdragen tot de vaststelling dat er sprake is van misbruik van een machtspositie door de toepassing van onbillijke prijzen, mits wordt gecontroleerd of de hoogte van die vergoedingen buitensporig is in verhouding tot de aard en de omvang van het gebruik van de werken, alsmede tot de economische waarde die door dit gebruik wordt gegenereerd.”

-       44. “Bijgevolg moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 102, tweede alinea, onder a), VWEU aldus moet worden uitgelegd dat de vaststelling dat er sprake is van misbruik van een machtspositie voldoende is onderbouwd wanneer wordt aangetoond dat de betrokken praktijk in een structuur van daadwerkelijke mededinging kan ingrijpen, zonder dat hoeft te worden bewezen dat deze praktijk de consumenten ook rechtstreeks kan schaden.”

-       49. “Derhalve moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 102, tweede alinea, onder a), VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een mededingingsautoriteit moet aantonen dat misbruik de handel tussen lidstaten wezenlijk ongunstig kan beïnvloeden. Wanneer het prijsbeleid van een collectieve beheersorganisatie als misbruik wordt aangemerkt, volstaat het, teneinde aan te tonen dat de handel tussen lidstaten door dit misbruik wezenlijk ongunstig kan worden beïnvloed, vast te stellen dat die collectieve beheersorganisatie naast de rechten van rechthebbenden die ingezetenen zijn van de lidstaat waar zij een monopolie bezit, ook die van rechthebbenden uit andere lidstaten beheert.”