DOSSIERS
Alle dossiers

Proceskostenveroordeling (bijzondere uitspraken)  

IEF 6109

Over de volledige proceskostenveroordeling

atst.gifPersbericht: “Jonge Balie Amsterdam: lezing over IE-proceskostenveroordeling op 15 mei. Alexander Tsoutsanis (advocaat bij Klos Morel Vos & Schaap en universitair docent aan de Universiteit Leiden) spreekt over de volledige proceskostenveroordeling in IE-zaken. In tegenstelling tot de gebruikelijke forfaitaire proceskostenveroordeling, is in IE-zaken een volledige proceskostenveroordeling mogelijk. Al naar gelang de complexiteit van de zaak zijn kostenveroordelingen tussen de EUR 20.000 en 100.000 niet ongebruikelijk. De hoogte- en dieptepunten uit de praktijk zullen in deze lezing worden besproken.

Ook is er ruimte voor discussie over de impact die deze volledige proceskostenveroordeling mogelijk zou kunnen hebben op de opleiding van advocaat-stagiaires. Zullen stagiaires meer of minder pleiten door het verhoogde proceskostenrisico? Is wanneer patroon en stagiaire gezamenlijk pleiten het verweer dat “mr. X zijn stagiaire niet over de rug van cliënt Y mag opleiden” wel of geen valide proceskostenverweer ? Een dergelijk verweer is inmiddels voor de rechtbank Amsterdam gevoerd: wie dat meer of minder steekhoudend vindt mag dat op 15 mei zeggen. Komt dus allen!

De lezing vangt aan om 18.30 uur en duurt ongeveer een uur. Lokatie: Café Wilschut, Roelof Hartplein 1-3, 1071 TR Amsterdam.

Het bijwonen van Jonge Balie lezingen levert tevens punten op die kunnen worden aangewend voor de 34 door de Amsterdamse Raad van Toezicht verplicht gestelde plaatselijke opleidingspunten. Daarbij geldt dat één Jonge Balie lezing overeenkomt met één opleidingspunt. Het maximale aantal lezingen dat meetelt voor het voldoen aan de opleidingseisen is twaalf. Nadere informatie hierover is te vinden in de Opleidingsmaatregel 2007: www.advocatenorde-amsterdam.nl.

De lezing is vooral bedoeld voor advocaten van de Jonge Balie Amsterdam. Andere belangstellenden zijn ook welkom (bijvoorbeeld RAIO’s, griffiers en gerechtssecretarissen die ook te maken met de IE-proceskostenveroordeling).

IEF 6035

Een ruimere ‘gewone’ proceskostenveroordeling

Rechtbank ’s-Hertogenbosch, 21 april 2008, KG ZA 08-121, MF Beheer B.V. tegen My Global Factory. (met dank aan Peter Kok, The Law Factor).

Inhoudelijke bespreking volgt, nu eerst even deze passage:

“4.8. Nu het onderhavige geschil nog slechts zeer ten dele aan te merken is als een merkenrechtelijk geschil, doch veeleer de nakoming van een vaststellingsovereenkomst inhoudt, ziet de voorzieningenrechter beperkt ruimte voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 1019 Rv en zal deze doen opgaan in een ruimere ´gewone´ proceskostenveroordeling”

Tentamenvraag: Beargumenteer dit oordeel en betrek daarbij de regionale verschillen in de merkenrechtspraak aan de hand van o.a. Rb Amsterdam, 10 januari 2008, ACS Filtertechniek tegen Group Air Cooling Services B.V.:

““4.7 Group Air Cooling Services zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Hierbij worden de volledige kosten als bedoeld in artikel 1019h Rv toegewezen, aangezien hier sprake is van inbreuk op de intellectuele eigendomsrechten van ACS, Aan het verweer dat het hier een andersoortig geschil betreft, te weten een geschil over een vaststellingsovereenkomst, zal worden voorbijgegaan aangezien de kern van die overeenkomst bestaat uit bescherming van de intellectuele eigendomsrechten van ACS.”

Lees het eerste, Bossche, vonnis hier, het tweede, Amsterdamse, hier

IEF 5947

Niet zwaarder

Gerechtshof ’s-Gravenhage, 3 april 2008, rolnr. 05/6, Stichting Paralegal Expertise & Management tegen Stichting Het Juridisch Loket (met dank aan Gregor Vos, Klos Morel Vos & Schaap).

Spoedappèl, incidentele vordering over proceskostenveroordeling. In beginsel geen schorsing van de tenuitvoerlegging bij betalingsonmacht.

“6. Het hof overweegt als volgt. De voorzieningenrechter heeft op voet van artikel 1019h Rv de werkelijke proceskosten van het Juridisch loket vastgesteld op € 19.235,-. (…) Maar ook indien aangenomen moet worden dat, zoals Paralegal stelt, uitoefening door het Juridisch Loket van haar bevoegdheid de kostenveroordeling te executeren, het faillissement van Paralegal zou meebrengen, is het hof van oordeel dat het belang van Paralegal bij het (vooralsnog) uitblijven van een faillissement inde gegeven omstandigheden niet zwaarder weegt dan het belang van Het Juridisch Loket dat de door haar gemaakte kosten worden voldaan. Betalingsonmacht kan in beginsel geen grond zijn voor schorsing van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak; dat geldt naar het oordeel van het hof evenzeer als het gaat om betaling van (werkelijke) proceskosten.”

Lees het arrest hier.

IEF 3781

Proceskostenveroordeling in gemengde zaak

Rechtbank Leeuwarden, 21 maart, 2007, KG ZA 07-67. Hood Holding Corp. C.s. tegen Red Mountain Trade B.V. c.s. (met dank aan M. Russchen, Dommerholt).

Merkenrecht. Uitgebreidere bespreking volgt, nu eerst alleen de proceskosten. Mr. Russchen bericht bij toezending van het vonnis: “Dit vonnis is interessant voor de vraag hoe om te gaan met een kostenveroordeling in een gemengde zaak. Visser en Tsoutsanis haalde deze vraag al eerder naar voren (afl. 2006/35 NJB) en in Zeist onlangs werd hierover gesproken op het middagdebat ‘Handhavingsperikelen: beschrijvend beslag, exhibitieplicht en ex parte korte geding.’
 
De helft van de werkelijk gemaakte kosten van deze procedure hebben betrekking op het handhaven van intellectuele eigendomsrechten. “De rechter ziet dan ook aanleiding -zoals eisers hebben betoogd- ter zake daarvan de helft van de werkelijk door eisers gemaakte kosten toe te wijzen.” Met betrekking tot de andere helft overweegt de rechter: “Ter zake van de vordering strekkende tot opheffing van het beslag zal de helft van het toepasselijke liquidatietarief worden toegewezen” (in tegenstelling tot deze zaak Vzr. Rb. Utrecht 3 januari 2007, LJN AZ5424, waarin met betrekking tot het overige gedeelte van de procedure geen proceskostenveroordeling conform het liquidatietarief wordt toegewezen).”

Lees het vonnis hier.

IEF 2918

Bescheiden (3)

tsl.gifNa Lex Bruinhof van Wieringa Advocaten (eerder bericht hier) laat ook Michael Gerrits van De Gier & Stam zich op het weblog van zijn kantoor uit over de laatste ontwikkelingen op het gebied van de richtlijnconforme proceskostenveroordeling:

 “Ten eerste beoordeelt de rechter of ‘de communicatie van de zijde van de advocaat van Tell Sell’ wel adequaat is geweest. Deze overweging is niet alleen betuttelend, maar de rechter gaat hiermee naar mijn mening ook veel te ver. Gaat de rechter straks ook zeggen dat de dagvaarding of de pleitnota (en daarmee het pleidooi) veel te lang was en dat de advocaat ook met een korter verhaal had kunnen volstaan om het punt van zijn cliënt(e) te maken?

Ten tweede is de rechter van oordeel dat ‘gelet op de aard van de onderhavige zaak’(…) de zaak bescheidener had kunnen worden aangepakt’. Bij het lezen van dergelijke passages ontstaan bij mij irritaties. Allereerst had de rechter mogen toelichten wat hij met ‘de aard van de zaak’ dan precies bedoelt (makkelijke zaak, tegenpartij voert geen deugdelijk verweer, IE-zaak, etc?). Maar belangrijker nog, de rechter heeft mijns inziens op zijn minst de plicht – als hij deze mening is toegedaan – te motiveren waarom de zaak bescheidener had kunnen én moeten worden aangepakt en waarom de kosten niet billijk zijn als het niet bescheiden is aangepakt. Artikel 14 van de Handhavingsrichtlijn bepaalt immers dat de kosten worden vergoed door de verliezende partij, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. De rechter heeft het zich er echter gemakkelijk vanaf willen maken, maar dat leidt alleen maar weer tot meer rechtsonzekerheid (en wij als advocaten moeten onze cliënten weer adviseren dat we van tevoren niet goed kunnen inschatten of een volledige proceskostenveroordeling erin zit, omdat dit klaarblijkelijk van geval tot geval verschilt).”

Lees hier meer.

IEF 2708

Herstel

Herstelvonnis Rechtbank ’s-Gravenhage, in kort geding van 6 oktober 2006, KG ZA 06-1088. The Procter & Gamble Company tegen Reckitt Benckiser  B.V.

"De advocaat van Procter & Gamble, mr. W.A. Hoyng te Amsterdam, heeftverzocht het vonnis te verbeteren aangezien Reckitt Benckiser heeft aangegeven niet aan de kostenveroordeling te willen voldoen nu deze niet in het dictum is opgenomen. (…) Nu duidelijk sprake is van een kennelijke fout in het vonnis die zich vooreenvoudig herstel leent als bedoeld in artikel 31 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke echtsvordering, zal het verzoek tot verbetering worden toegewezen."

Lees het herstelvonnis hier.Oorspronkelijk vonnis hier.

IEF 2680

Voor rechters en rechtzoekenden

Prof. mr. D.J.G. Visser en Mr. A. Tsoutsanis:  De volledige proceskostenveroordeling in IE-zaken. Gepubliceerd in NJB 2006/34.

 

“De financiële risico's van procederen in IE-zaken zijn flink toegenomen en er is nog veel onduidelijk. Er is al gesuggereerd dat er snel een nieuw, hoger en eventueel gedifferentieerd liquidatietarief zou moeten komen voor IE-zaken om het voor rechters en rechtzoekenden eenvoudiger en overzichtelijker te maken. Daarvan wordt dan weer opgemerkt dat het in strijd met de richtlijn zou zijn. Misschien zou de wetgever meer moeten doen door een aparte 'kostenvaststellingsprocedure' in het leven te roepen zoals in Engeland bestaat, of andere meer gedetailleerde regels zoals in Duitsland. Misschien is het inderdaad een goed idee om de volledige proceskostenveroordeling naar de bodemprocedure te verwijzen. Omdat de nationale wetgever echter vrijwel niets heeft gedaan en zekerheid alleen door het HvJ EG kan worden geboden, zal het mogelijk nog jaren duren voor er meer duidelijkheid is.”

 

Lees het artikel hier.

IEF 2614

Glashandel 2: De Grosse

Update 19 september: Lees het herstelvonnis hier.nacbav.bmp  Correctie bij Voorzieningenrechter Rechtbank Breda , 13 september 2006, LJN: AY8140. International Facility & Support Partners B.V. tegen  NAC B.V, Houdstermaatschappij NAC B.V. & Bavaria N.V.

Mr. Olaf van Haperen van Lawton Advocaten & Belastingadviseurs  laat  weten dat het met betrekking tot de bovengenoemde zaak op rechtspraak.nl gepubliceerde vonnis inhoudelijk afwijkt van grosse van het vonnis (zie onderstaande link).

De afwijking betreft de overwegingen met betrekking tot de vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten. Anders dan in de tekst op rechtspraak.nl is in de grosse de kostenveroordeling van NAC op basis van de IE-handhavingsrichtlijn niet opgenomen. Uit de grosse blijkt dat de geraamde en onbetwiste proceskosten van Bavaria volledig worden toegewezen.

Tekst op Rechtspraak.nl, r.o. 4: 

“4. De kosten.

Als de in conventie overwegend in het ongelijk te stellen partij dient NAC te worden veroordeeld in de proceskosten van IFSP. Op haar beurt zal IFSP worden veroordeeld in de proceskosten van de houdstermaatschappij, te stellen op nihil vanwege de samenhang met het door NAC gevoerde verweer, alsmede in de proceskosten van Bavaria.
Ter zake van de kostenveroordelingen ten laste van NAC en Bavaria zal, gelet op richtlijn 2004/48/EG van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten, met toepassing van een richtlijnconforme uitleg van de artikelen 237 e.v. Rv, naast het griffierecht en verschotten het reële bedrag aan advocaatkosten worden toegewezen, waarvan de gestelde hoogten noch door NAC, noch door IFSP zijn betwist en de voorzieningenrechter ook niet onredelijk voorkomen.

In reconventie wordt IFSP veroordeeld in de proceskosten nu de vorderingen van NAC deels toewijsbaar zijn. Geen van de toegewezen vorderingen van NAC in reconventie houdt verband met intellectuele eigendom, zodat een toekenning van een proceskostenvergoeding zal worden berekend zoals gebruikelijk.”

Grosse, r.o. 3.10

“3.10.
Voor het toekennen van een vergoeding aan reële advocaatkosten bestaat slechts aanleiding in zaken waarin de vordering is gebaseerd op een moedwillige inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht. De vordering van IFSP in conventie is een dergelijke vordering, maar in dat kader komt NAC geen vergoeding van proceskosten toe. Geen van de vorderingen van NAC in reconventie houdt verband met intellectuele eigendom, zodat een eventuele toekenning van een proceskostenvergoeding zal worden berekend zoals gebruikelijk..”

“4. De kosten.

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij dient NAC te worden veroordeeld in de proceskosten van IFSP. Op haar beurt zal IFSP worden veroordeeld in de proceskosten van de houdstermaatschappij en de proceskosten van Bavaria. In het laatste geval zal, in de lijn van de uitspraak d.d. 8 augustus 2006 van de rechtbank ‘s-Gravenhage, naast het griffierecht en verschotten het reële bedrag aan advocaatkosten worden toegewezen, waarvan de gestelde hoogte niet door eiseres is betwist en de voorzieningenrechter ook niet onredelijk voorkomt.

In reconventie worden NAC en IFSP over en weer in het gelijk gesteld. Daarin ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren.”


Lees de grosse van het vonnis hier. Eerder bericht hier.


 

IEF 2598

Duidelijk verschil

hq.bmpRechtbank Utrecht, 7 september 2006, KG ZA 06-746. High Quality Detachering en Interim Management B.V. tegen HighQ B.V. (Met dank aan Jerry Considine, Considine Group).

Eerste Utrechtse werkelijk-gemaakte-proceskostenveroordeling: Eiser High Quality wordt in de proceskosten veroordeeld, maar de vordering tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten wordt afgewezen:

“Weliswaar is de implementatietermijn van de Richtlijn 2004/48/EG verstreken, maar Richtlijnconforme interpretatie van artikel 237 leidt niet tot het oordeel dat de werkelijk gemaakte kosten door High Qualitty moeten worden vergoed. Hiertoe wordt overwogen dat de Richtlijn beoogt de handhaving van intellectuele eigendomsrechten te harmoniseren teneinde namaak en piraterij efficiënter te kunnen bestrijden. Nu de procedure geen betrekking heeft op een door High Quality beweerdelijk gepleegde inbreuk op het merkrecht van HighQ, wordt geen aanleiding gezien High Quality te veroordelen de daadwerkelijk door HighQ gemaakte kosten te vergoeden.”

In deze zaak sommeert High Quality branchegenoot HighQ het gebruik van de aanduiding HighQ op welke wijze dan ook te staken. High Quality detacheert, werft en selecteert financiële specialisten. High Quality is eigenaar van het het Beneluxbeeldmerk High Quality. HighQ is een financieel interimbureau en eigenaar van het Beneluxwoordmerk HighQ.

De Handelsnamen wijken v olgens de voorzieningenrechter in voldoende mate van elkaar af. ‘Quality’ en ‘Q’ verschillen zo duidelijk van elkaar, dat niet valt te vrezen voor verwarringsgevaar.

Dat de KvK na een uitgevoerd onderzoek naar o.a. de naam ‘High Q Interim’ heeft geadviseerd deze en soortgelijke handelsnamen niet te gebruiken omdat er meerdere ondernemingen met een gelijkende naam zijn ingeschreven in het handelsregister, leidt niet tot een ander oordeel, nu uit dit onderzoek niet zonder meer kan worden afgeleid dat de namen HighQ en High Qusality zodanig op elkaar lijken dat vrees voor verwarring te duchten is. Concrete verwarring is niet aangetoond.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding in het kader van de BMW anders over het gevaar voor verwarring te oordelen, zodat ook de merkenrechtelijke claim van High Quality wordt afgewezen.

Met betrekking tor de stelling van High Quality dat HighQ te kwader trouw het het merk HighQ van bedenker Namewordks zou hebben overgenomen, wordt overwogen dat in de BMW geen nietigheids- en/of vervalgronden opgenomen zijn die betrekking hebben op de overdracht van een merk zodat - nu in het onderhavige geval sprake is van de overdracht van een  merk - niet geoordeeld kan worden dat deze overdracht nietig is, Bovendien is gesteld noch gebleken dat de nietigheid van het depot door Nameworks van het woordinerk HighQ is ingeroepen binnen vijf jaar na de inschrijving.

Lees het vonnis hier.

IEF 2352

De rekening van ontijdige implementatie

Mag het iets meer zijn? Proceskostenveroordeling in IE-zaken. Overzicht en commentaar door Evert van Gelderen, advocaat bij de De Gier & Stam Advocaten.

“Ik ben van mening dat de richtlijnconforme interpretatie van de Handhavingsrichtlijn, in ieder geval voor wat betreft de kostenveroordeling, niet buiten de begrenzing valt die wordt getrokken door de rechtszekerheid en de door het nationale recht geboden interpretatieruimte. De invulling die thans door de Nederlandse rechters wordt gegeven aan de kostenveroordeling vormt mijns inziens geen (te abrupte) breuk met het geldende recht. Het is namelijk onder het geldende recht (ook) mogelijk om de wederpartij in de kosten te (doen) veroordelen.”

Lees hier meer.