DOSSIERS
Alle dossiers

Onrechtmatige publicaties  

IEF 23443

Uitspraak ingezonden door Femmetje de Wind, ABC Legal

Onrechtmatige socialmediaposts over vermeende bedreiging; bevel tot verwijdering en rectificatie in kort geding bekrachtigd

Hof 's-Hertogenbosch 31 mrt 2026, IEF 23443; ECLI:NL:GHSHE:2026:855 ([appellanten] tegen [geïntimeerden]), https://reclameboek.minab.nl/artikelen/onrechtmatige-socialmediaposts-over-vermeende-bedreiging-bevel-tot-verwijdering-en-rectificatie-in-kort-geding-bekrachtigd

Hof 's-Hertogenbosch 31 maart 2026, IEF 23433; IT5181; ECLI:NL:GHSHE:2026:855 ([appellanten] tegen [geïntimeerden]). In dit kort geding in hoger beroep stond de vraag centraal of door [appellant sub 1] geplaatste posts op sociale media over [geïntimeerde sub 1] en diens onderneming onrechtmatig waren. Aanleiding was een voicemailbericht van 13 september 2024 waarin [geïntimeerde sub 1], na vergeefse pogingen om met [appellant sub 1] in contact te komen over langer lopende kwesties, had gezegd: “Als jij denkt dat het vanzelf over gaat ehhh zo, dan ehhh heb je het echt mis hoor. Word alleen maar bozer en teleurgestelder. Dus mijn advies, bel me terug, maak een afspraak. Als je dat niet doet, kom ik je opzoeken en kom ik het uitpraten met je.” Op 31 oktober 2024 plaatste [appellant sub 1] op LinkedIn en op 1 november 2024 op X een ingekort fragment van dat bericht, namelijk: “mijn advies is, bel me terug, maak een afspraak. Als je dat niet doet, kom ik je opzoeken”, met begeleidende teksten waarin hij sprak van een voicemail van een “dreiger” en verwees naar de onderneming van [geïntimeerde sub 1]. Op 17 en 18 december 2024 verwees hij opnieuw naar die posts op respectievelijk X en Instagram. Het hof stelt voorop dat moet worden afgewogen welk fundamenteel recht in dit geval zwaarder weegt: het recht van [appellanten] op vrijheid van meningsuiting ex art. 10 EVRM of het recht van [geïntimeerden] op eer en goede naam ex art. 8 EVRM. Daarbij past het hof de in de rechtspraak ontwikkelde maatstaf toe voor botsende grondrechten. Het hof oordeelt dat [appellant sub 1] het voicemailbericht onvolledig en daarmee misleidend heeft weergegeven. Door de woorden “en kom ik het uitpraten met je” weg te laten, heeft hij aan het bericht een andere, duidelijk dreigendere strekking gegeven dan het volledige voicemailbericht had. Dat oordeel weegt des te zwaarder omdat [geïntimeerde sub 1] nog op 13 september 2024 per e-mail had uitgelegd dat het bericht geen dreigement was, maar bedoeld was om een afspraak tot stand te brengen. Ondanks die toelichting heeft [appellant sub 1] de ingekorte versie alsnog geplaatst, voorzien van de kwalificatie “dreiger”. De door [appellanten] aangevoerde omstandigheden dat zij zich om andere redenen bedreigd voelden, zoals veelvuldige telefoontjes, een anonieme verklaring over vuurwapengevaarlijkheid en een latere uitlating van [geïntimeerde sub 1], acht het hof onvoldoende onderbouwd of niet relevant als rechtvaardiging voor juist deze publicaties.

IEF 23433

Kort geding over gevorderde rectificatie en verbod wegens gemeentelijke uitlatingen over speelpark; vorderingen afgewezen

Rechtbank Midden-Nederland 17 mrt 2026, IEF 23433; ECLI:NL:RBMNE:2026:1023 (speelpark Oud Valkeveen tegen de Gemeente), https://reclameboek.minab.nl/artikelen/kort-geding-over-gevorderde-rectificatie-en-verbod-wegens-gemeentelijke-uitlatingen-over-speelpark-vorderingen-afgewezen

Rb. Midden-Nederland 17 maart 2026, IEF 23433; ECLI:NL:RBMNE:2026:1023 (speelpark Oud Valkeveen tegen de Gemeente). Speelpark Oud Valkeveen vordert in dit kort geding dat de Gemeente Gooise Meren twee op 29 januari 2026 op haar website geplaatste uitlatingen rectificeert en dat het de gemeente wordt verboden om dergelijke uitlatingen op basis van het thans bekende feitenmateriaal te herhalen. Het gaat om de mededelingen dat het speelpark in de afgelopen jaren een gestage groei heeft doorgemaakt die spanning oplevert met het omliggende natuurgebied en omwonenden, en dat de grenzen van het speelpark ten aanzien van stikstofuitstoot en natuur zijn bereikt. Volgens het speelpark zijn dit ongefundeerde beschuldigingen die schadelijk zijn voor zijn eer en goede naam, reputatie en bedrijfsvoering. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang gegeven, omdat het speelpark stelt schade te lijden en herhaling vreest. Vervolgens zet de rechtbank het toetsingskader uiteen: tegenover elkaar staan het belang van het speelpark bij bescherming tegen reputatieschade en het belang van de gemeente bij vrijheid van meningsuiting en deelname aan het publieke debat. Daarbij noemt de rechtbank de gebruikelijke gezichtspunten, zoals inhoud en vorm van de uitlatingen, de ernst van de gevolgen, de positie van de spreker, de feitelijke onderbouwing en de bijdrage aan een debat van algemeen belang. Voor rectificatie op grond van art. 6:167 BW is bovendien vereist dat sprake is van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard.

IEF 23422

Uitspraak ingezonden door Merel Teunissen, Liaise Advocaten.

Uitingen fan over relatie met zanger niet onrechtmatig bevonden

Rechtbank Amsterdam 27 mrt 2026, IEF 23422; C/13/783721 / KG ZA 26-127 MdV/EvK (Lewis tegen Van Ooijen), https://reclameboek.minab.nl/artikelen/uitingen-fan-over-relatie-met-zanger-niet-onrechtmatig-bevonden

Rb Amsterdam 27 maart 2026, IEF 23422, IT 5168; C/13/783721 / KG ZA 26-127 MdV/EvK (eiser tegen gedaagde). De zaak betreft een Australische singer-songwriter (eiser) en een Nederlandse fan/therapeut (gedaagde) die circa 2,5 jaar een affectieve/seksuele relatie hebben gehad nadat eiser haar via Instagram benaderde en zij elkaar in Amsterdam ontmoetten. In het najaar van 2025 is die relatie geëindigd, waarna op sociale media en in de fan-omgeving (Discord) beschuldigingen tegen eiser over grensoverschrijdend gedrag en machtsmisbruik rond jonge vrouwelijke fans naar buiten kwamen. Eiser reageerde daarop met een publieke Instagrampost met excuses. Gedaagde heeft vervolgens op TikTok, Instagram en YouTube berichten geplaatst waarin zij spreekt over een “abusive relationship”, therapie/coaching rond narcissistic abuse en persoonlijk haar ervaringen deelt, maar zij noemt eiser daarin niet bij naam. Eiser stelt dat haar posts, één-op-één Instagram-DM’s en spraakberichten feitelijk neerkomen op beschuldigingen van verkrachting, (seksuele en psychische) mishandeling van vrouwen, seksueel grensoverschrijdend gedrag en een narcistische persoonlijkheidsstoornis, en dat zij bovendien niet-uitgebrachte nummers van hem (zoals ‘Butterfly’) online heeft laten verschijnen. Hij vordert in kort geding een breed verbod op dergelijke uitlatingen (zowel openbaar als in privé- of groepsberichten), verwijdering van alle berichten over hem of in elk geval de berichten met genoemde beschuldigingen, een contactverbod ten opzichte van hem, zijn relaties en (toekomstige) partners, rectificaties op haar socialemediakanalen, staking van iedere auteursrechtinbreuk en oplegging van dwangsommen, plus veroordeling van gedaagde in de proceskosten. Gedaagde voert aan dat zij uitsluitend haar eigen ervaringen en beleving van de relatie deelt binnen haar vrijheid van meningsuiting, dat de term “abusive” breder is dan alleen strafbare mishandeling, dat de DM’s privé waren en door derden zijn gelekt, dat eiser nergens met naam wordt genoemd en dat zij geen muziek van hem online heeft gezet.

IEF 23399

Hof Den Haag: zorgvuldigheid vereist bij online beschuldigingen op sociale media

Hof Den Haag 17 mrt 2026, IEF 23399; ECLI:NL:GHDHA:2026:368 ([appellante] tegen [geïntimeerde]), https://reclameboek.minab.nl/artikelen/hof-den-haag-zorgvuldigheid-vereist-bij-online-beschuldigingen-op-sociale-media

Hof Den Haag 17 maart 2026, IEF 23399; IT 5155; ECLI:NL:GHDHA:2026:368 ([appellante] tegen [geïntimeerde]). Na een kortstondige relatie plaatste [appellante] TikTok-video’s waarin zij de indruk wekte dat [geïntimeerde] zich schuldig maakte aan (seksuele) contacten met minderjarigen. [geïntimeerde] reageerde daarop in zijn YouTube-programma met beledigende en seksueel getinte uitlatingen, waaronder suggesties dat [appellante] in de porno-industrie werkzaam zou zijn. Het gerechtshof Den Haag oordeelt dat beide partijen onrechtmatig hebben gehandeld door uitlatingen over elkaar te doen via sociale media. 

IEF 23376

Negatieve recensies op social media van consument niet onrechtmatig

Rechtbank Limburg 11 sep 2024, IEF 23376; ECLI:NL:RBLIM:2024:6062 (Beton Aparte tegen [gedaagde]), https://reclameboek.minab.nl/artikelen/negatieve-recensies-op-social-media-van-consument-niet-onrechtmatig

Rb. Limburg 11 september 2024, IEF 23376; IT 5147; ECLI:NL:RBLIM:2024:6062 (Beton Aparte tegen [gedaagde]). [gedaagde] plaatste negatieve recensies op onder meer Radar, Google en Yelp over betonproducten die volgens haar gebrekkig zijn, na blaasvorming en loslatende lagen kort na toepassing. Beton Aparte (de leverancier) weigert terugbetaling en stelt dat de schade het gevolg is van onjuiste verwerking. [gedaagde] laat herstelkosten begroten op circa € 4.000 en uit daarnaast kritiek op de communicatie van het bedrijf. Beton Aparte vordert een verklaring voor recht dat sprake is van onrechtmatige uitlatingen, schadevergoeding wegens reputatie- en omzetverlies, verwijdering van recensies en rectificatie.

IEF 23331

Uitspraak ingezonden door Vivien Rorsch, LaRorsch.

Vrijheid van meningsuiting letselschadeadvocaat versus reputatiebescherming belangenbehartiger bij schietincident Alphen aan den Rijn

Hoge Raad 27 feb 2026, IEF 23331; ECLI:NL:PHR:2026:197 ([eiser 1] en Corpocon tegen [verweerder]), https://reclameboek.minab.nl/artikelen/vrijheid-van-meningsuiting-letselschadeadvocaat-versus-reputatiebescherming-belangenbehartiger-bij-schietincident-alphen-aan-den-rijn

Parket bij de Hoge Raad 27 februari 2026, IEF 23331; ECLI:NL:PHR:2026:197 ([eiser 1] en Corpocon tegen [verweerder]). De zaak betreft uitlatingen van letselschadeadvocaat [verweerder] in een artikel in het Algemeen Dagblad van 7 april 2021 over de trage schadeafwikkeling na het schietincident in winkelcentrum De Ridderhof in Alphen aan den Rijn, waarin belangenbehartiger [eiser 1] en zijn vennootschap Corpocon (letselschadeclaim.nl) scherp worden neergezet als mogelijke oorzaak van vertraging en als “cowboy”‑achtige dienstverlener. [eiser 1] behartigt via Corpocon de belangen van een groep slachtoffers en heeft procedures (mede) gefinancierd, waarna de politie na het aansprakelijkheidsarrest van de Hoge Raad in 2019 de VSSA‑stichting oprichtte voor de schadeafwikkeling. In het AD‑artikel wordt onder meer gemeld dat [eiser 1] cliënten zou afraden machtigingen aan de VSSA te geven tenzij eerst een voorschot van 10.000 euro wordt betaald; daarna volgt een passage met de aan [verweerder] toegeschreven uitlatingen over “secundaire victimisatie”, slachtoffers die “de dupe van hun belangenbehartiger” zouden worden, en “te veel cowboys in de markt”. [eisers] stellen dat deze uitingen, mede gezien de foto, context en andere citaten in het stuk, voor de gemiddelde lezer rechtstreeks op hen slaan en hun eer en goede naam ernstig aantasten; zij vorderen onder meer een verklaring voor recht dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld (art. 6:162 BW), een verbod op soortgelijke uitlatingen, rectificatie via ANP en het AD (online en op de homepage), dwangsommen en schadevergoeding op te maken bij staat. De rechtbank Den Haag wijst alle vorderingen af omdat [verweerder] in de gegeven context niet onrechtmatig heeft gehandeld; het hof Den Haag bekrachtigt dat vonnis na een belangenafweging tussen art. 10 en art. 8 EVRM, waarbij het hof onder meer centraal stelt dat [verweerder] slechts één uitlating specifiek over [eiser 1] heeft gedaan (“Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers”), dat hij de overige opmerkingen in algemene zin over de letselschademarkt heeft geuit, en dat de wijze waarop de journalist deze in het artikel heeft gemonteerd primair aan de journalist moet worden toegerekend. Het hof acht verder van belang dat [verweerder] als deskundige was benaderd in het kader van een publiek debat over letselschade en “cowboys” in de markt, dat zijn kernuitspraak voldoende steun vond in de door de journalist voorgehouden feiten (waaronder eerdere media‑uitingen van [eiser 1] en de situatie rond de VSSA) en dat hij de nodige terughoudendheid betrachtte door te formuleren met “het lijkt erop dat”. In cassatie klagen [eisers] in hoofdzaak dat het hof onjuiste rechtsopvattingen hanteert en relevante omstandigheden verkeerd weegt of buiten beschouwing laat, onder meer over de bijzondere positie van advocaten (vergeleken met de pers), het gewicht van de publieke perceptie, de vraag of [verweerder] feitelijk “rechtstreeks” in de media heeft gesproken en zijn verantwoordelijkheid voor controle‑ en correctiemaatregelen rond het interview.

IEF 23324

Kort geding over online beschuldigingen en grensoverschrijdende uitingen op sociale media

Rechtbank Rotterdam 27 feb 2026, IEF 23324; ECLI:NL:RBROT:2026:2075 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://reclameboek.minab.nl/artikelen/kort-geding-over-online-beschuldigingen-en-grensoverschrijdende-uitingen-op-sociale-media

Rb Rotterdam 27 februari 2026, IEF 23324; ECLI:NL:RBROT:2026:2075 ([eiser] tegen [gedaagde]). In deze zaak zijn eiser, een publiek bekende activist, en gedaagde, een zeer actieve gebruiker van sociale media en een eigen website, sinds begin 2025 in een escalerende online ruzie verwikkeld, waarin zij over en weer berichten plaatsen en aangifte doen. Eiser stelt dat gedaagde structureel grensoverschrijdende uitingen over hem en zijn gezin doet. Zij noemt hem onder meer psychopaat en NSB’er, maar vooral beschuldigt zij hem van ernstige strafbare feiten zoals geestelijke mishandeling, psychisch geweld, stalking, doxing, femicide en kindermisbruik, publiceert portretten van eiser met teksten als “kinderen neuken”, deelt privé-informatie uit zijn echtscheiding en betrekt zijn minderjarige kinderen door een geblurde foto van hen te plaatsen met dreigende teksten, alsook een spraakbericht aan zijn zoon te sturen. Na een sommatiebrief weigert gedaagde in te binden en daagt eiser haar in kort geding, waarin hij vordert: een verbod op bedreigingen jegens hem en zijn kinderen, een (primair ruim, subsidiair toegespitst) verbod om hem van bepaalde strafbare feiten te beschuldigen, een verbod op berichten over zijn gezinsleven, kinderen, echtscheidingsgeschil en adres, een verbod op gebruik van zijn portret, een verwijderingsgebod voor bestaande uitingen, een rectificatie op diverse socialemediakanalen, een contact- en gebiedsverbod ten opzichte van hem en zijn kinderen, verbeurte van dwangsommen en, bij uitputting daarvan, lijfsdwang, plus een veroordeling van gedaagde in de werkelijke proceskosten. Gedaagde voert verweer en formuleert in een eigen “Verzetschrift” tegenvorderingen, maar die gelden niet als eis in reconventie omdat zij daarvoor een advocaat nodig had; de voorzieningenrechter acht de zaak spoedeisend en bespreekt vervolgens het toetsingskader van de botsing tussen eisers recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, goede naam en reputatie (artikel 8 EVRM) en gedaagdes vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM), waarbij aan de hand van de aard van de uitlatingen, de ernst van de gevolgen, het beschikbare feitenmateriaal, de context en de maatschappelijke positie van partijen wordt afgewogen of sprake is van onrechtmatigheid.

IEF 23298

Onrechtmatige online uitlatingen over jeugdzorgvoorzitter: hof beperkt vrijheid van meningsuiting en kent immateriële schadevergoeding toe

Hof Amsterdam 3 feb 2026, IEF 23298; ECLI:NL:GHAMS:2026:272 ([appellant] tegen [geïntimeerde]), https://reclameboek.minab.nl/artikelen/onrechtmatige-online-uitlatingen-over-jeugdzorgvoorzitter-hof-beperkt-vrijheid-van-meningsuiting-en-kent-immateriele-schadevergoeding-toe

Hof Amsterdam 3 februari 2026, IEF 23298; ECLI:NL:GHAMS:2026:272 ([appellant] tegen [geïntimeerde]). De zaak betreft een geschil tussen appellante, voorzitter van de Stichting Jeugdhulp Voldoende Beschermd, en geïntimeerde, een jurist die juridisch onderwijs en publicaties aanbiedt via zijn onderneming. Appellante had geïntimeerde in mei 2021 benaderd voor juridisch advies over misstanden in de jeugdzorg en daarbij diverse documenten verstrekt, waaronder een audiobestand van een opgenomen telefoongesprek. Vervolgens heeft geïntimeerde meerdere publicaties op Facebook, X/Twitter en zijn eigen website geplaatst waarin hij appellante onder meer beschuldigde van het uiten dan wel aanzetten tot bedreigingen aan zijn adres, het saboteren van de documentaire Taken: Kinderen van de Staat, het starten van een procedure om een andere zaak te belemmeren, en het saboteren van jeugdzorgslachtoffers. Appellante stelde dat deze uitlatingen onrechtmatig waren en vorderde in hoger beroep, na gedeeltelijke toewijzing door de kantonrechter, onder meer verwijdering van het audiobestand en haar persoonsgegevens, een verbod op verdere uitlatingen, een rectificatie op meerdere platforms en een immateriële schadevergoeding van € 1.000,00. Geïntimeerde is in hoger beroep niet verschenen, waarna tegen hem verstek is verleend. Het hof diende de vorderingen evenwel ambtshalve te toetsen op rechtmatigheid en gegrondheid.

IEF 23286

Politieke satire en reputatiebescherming: EHRM over de grenzen van art. 10 EVRM

EHRM 13 jan 2026, IEF 23286; ECLI:CE:ECHR:2026:0113JUD004338817 (Mladina d.d. Ljubljana tegen Slovenia), https://reclameboek.minab.nl/artikelen/politieke-satire-en-reputatiebescherming-ehrm-over-de-grenzen-van-art-10-evrm

EHRM 13 januari 2026, IEF 23286; IEF 4108; ECLI:CE:ECHR:2026:0113JUD004338817 (Mladina d.d. Ljubljana v. Slovenia (No. 2)). In de zaak Mladina d.d. Ljubljana v. Slovenia (No. 2) stond de vraag centraal of de veroordeling van de uitgever van het Sloveense weekblad Mladina wegens een satirische publicatie in strijd was met artikel 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting). De uitgever had in 2011 in de satirische rubriek “Mladinamit” een foto van de bekende Sloveense politicus B.G. met zijn gezin naast een foto van Joseph Goebbels met diens gezin geplaatst. De publicatie vond plaats tegen de achtergrond van een publiek debat waarin B.G. op sociale media met Goebbels was vergeleken. In hetzelfde nummer verscheen een redactioneel stuk waarin parallellen werden getrokken tussen de politieke methoden van B.G.’s partij en die van de nazi-propaganda. B.G. stelde dat de vergelijking, mede gezien de historische connotaties van Goebbels en diens betrokkenheid bij het naziregime, zijn eer en goede naam had aangetast en vorderde schadevergoeding, publicatie van het vonnis en een verontschuldiging. De uitgever voerde aan dat het ging om politieke satire gericht op B.G. als publiek figuur, dat de foto van zijn gezin op een openbare religieuze bijeenkomst was genomen en dat de vergelijking betrekking had op politieke methoden, niet op zijn privéleven of zijn gezin als zodanig. In eerste aanleg werd de vordering afgewezen, maar in hoger beroep werd geoordeeld dat met name de visuele vergelijking van de gezinsfoto’s een ontoelaatbare inbreuk vormde. Uiteindelijk werd de uitgever verplicht een verontschuldiging te publiceren en een (na matiging) schadevergoeding van € 3.000 te betalen. Het Sloveense Constitutionele Hof achtte de belangenafweging tussen de vrijheid van meningsuiting en het recht op reputatie correct uitgevoerd.

IEF 23274

Belangenafweging privacy veroordeelde en persvrijheid bij online zittingsverslag NRC

Rechtbank Amsterdam 17 dec 2025, IEF 23274; ECLI:NL:RBAMS:2025:10200 ([eiser] tegen MEDIAHUIS NRC B.V.), https://reclameboek.minab.nl/artikelen/belangenafweging-privacy-veroordeelde-en-persvrijheid-bij-online-zittingsverslag-nrc

Rb Amsterdam 17 december 2025, IEF 23274; ECLI:NL:RBAMS:2025:10200 ([eiser] tegen MEDIAHUIS NRC B.V.). De zaak betreft een zorgverlener die in 2022 is veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf (waarvan een half jaar voorwaardelijk) wegens seksuele uitbuiting van twee 17‑jarige meisjes, over wie NRC een artikel in de rubriek “De Zitting” publiceerde met vermelding van zijn voornaam, leeftijd en beroep. Volgens eiser is de publicatie onrechtmatig op grond van artikel 6:162 BW, omdat NRC zonder noodzaak strafrechtelijke persoonsgegevens verwerkt in strijd met zijn recht op eer en goede naam (artikel 8 EVRM) en in strijd met de AVG en de UAVG, met name omdat de gegevens niet noodzakelijk zouden zijn voor het doel van de publicatie. Eiser vordert dat NRC het artikel aanpast door deze persoonsgegevens te verwijderen, op straffe van een dwangsom, plus 750 euro immateriële schadevergoeding, subsidiair een voorziening waardoor NRC zijn strafrechtelijke persoonsgegevens niet meer verwerkt. NRC beroept zich op vrijheid van meningsuiting en persvrijheid en stelt dat het artikel feitelijk verslag doet van een openbare strafzitting, met bewust weglaten van de achternaam en andere privé‑details.