Proceskostenvergoeding bij intrekking van zaak ex 249 Rv
Hof Den Haag 25 november 2014, IEF 14413; ECLI:NL:GHDHA:2014:4556 (Containerbox tegen City Box)

Uitspraak ingezonden door Marieke Neervoort en Harmke Lankhorst, SOLV. Proceskostenveroordeling. Art. 249, 250 en 1019h Rv. Procesreglement. City Box heeft Containerbox aangesproken op het gebruik van haar merken als Google Adword. Er is een dagvaarding uitgebracht, maar de zaak wordt voor de zitting ingetrokken. Uit het in kort geding analoog toepasselijke artikel 249 Rv, dat inhoudt dat de eisende partij verplicht is tot proceskostenvergoeding indien hij afstand doet van de instantie, volgt dat eiser onder omstandigheden ook bij intrekking van een kort geding de proceskosten van gedaagde moet vergoeden. Eiser wordt beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij ex art 1019h Rv. City Box dient de proceskosten van het kort geding ad €10.907,76 plus wettelijke rente en de kosten van de 249/250 Rv procedure in twee instanties te vergoeden.
4.3. Het in de artikelen 249 en 250 Rv neergelegde uitgangspunt is dat het de eiser vrijstaat na het uitbrengen van de dagvaarding, doch voordat de gedaagde voor antwoord heeft geconcludeerd, afstand te doen van instantie. De consequentie die daaraan wordt verbonden is dat de eiser de door de gedaagde reeds gemaakte proceskosten aan hem moet vergoeden. Niet valt in te zien dat de aard van het kort geding zich tegen de (analoge) toepassing van de artikelen 249 en 250 Rv zou verzetten. Waarom dit - in weerwil van het bepaalde in artikel 78 Rv dat bepaalt dat de tweede titel van boek 1 van Rv toepasselijk is op alle dagvaardingszaken tenzij een andere bijzondere wettelijke regeling van toepassing is (en voor het kort geding tenzij de aard van het kort geding zich daartegen verzet) - niet door de wetgever zou zijn beoogd, zoals City Box heeft gesteld, is door haar niet steekhoudend onderbouwd.
4.11. City Box heeft verder aangevoerd dat artikel 1019h Rv niet toepasselijk is, omdat de zinsnede 'in het ongelijk gestelde partij' in dat artikel een inhoudelijke rechterlijke toetsing veronderstelt, die bij intrekking voordat de zaak wordt uitgeroepen ontbreekt. Dat standpunt kan niet worden gevolgd. De in kort geding analoog toepasselijke regeling van artikel 249 Rv, die inhoudt dat de eisende partij verplicht is de proceskosten van de gedaagde te betalen indien hij afstand doet van de instantie, kan niet anders worden begrepen dan dat in die specifieke situatie de eiser, zonder dat een rechterlijke toetsing van het geschil heeft plaatsgevonden, wordt beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij op wie de verplichting rust de proceskosten van de andere partij te vergoeden. In voorkomend geval zullen die kosten dan moeten worden berekend en vastgesteld op de voet van artikel 1019h Rv.
Op andere blogs:
- SOLV
Uitspraak ingezonden door Robbert Sjoerdsma en Tobias Cohen Jehoram,
Uitspraak ingezonden door Laurens Kamp,
Uitspraak ingezonden door Charlotte Garnitsch en Wim Maas,
Uitspraak ingezonden door Tobias Cohen Jehoram en Vivien Rörsch,
Het hoger beroep betreft uitsluitend de proceskostenbeslissing tot compenseren van de kosten en niet een verdeling ex 1019h Rv. Omdat partijen het eens waren geworden over de deskundigenbenoeming, kan geen van de partijen als de in het ongelijk gestelde worden beschouwd. Het hof bekrachtigt het vonnis [
Handelsnaam. Proceskosten compensatie (237 en 1019h Rv. Het hanteren van afkorting LMR advocaten als tweede handelsnaam is mogelijk en ligt bij lange bedrijfsaanduidingen vaak ook voor de hand. Wanneer de domeinnaamhouder de domeinnaam of een relevante deel ook gaat gebruiken als aanduiding voor zijn bedrijfsactiviteiten, dan verschiet de domeinnaam van kleur en wordt tevens een handelsnaam (vergelijk
Bijdrage ingezonden door Wout Olieslagers,
Verstekvonnis. Auteursrecht. Procesrecht. Café New Jedida heeft zonder toestemming van Videma een televisie-uitzending vertoond van een door Videma vertegenwoordigd filmwerk. Videma vordert met succes auteursrechtinbreuk en voorschot op de door Videma en de bij Videma aangesloten rechthebbenden geleden schade. De proceskosten komen deels voor vergoeding in aanmerking. Voor de overige kosten kan wel worden aangenomen dat een opgave van die kosten per post en e-mail naar een adres van New Jadida is verzonden, maar is niet aannemelijk gemaakt dat de opgave daar daadwerkelijk is aangekomen.